De vervangingsleer voorbij, wat nu?

En wat te denken van al die Israëlfans?


Handreiking voor de verhouding Israël (volk, land en staat) en het Lichaam van de Messias, aan de hand van stellingen onderverdeeld in vijftien thema's.



                                                          Bob van Dijk



Uitgegeven door Christian Friends of Israël, Dordrecht


Uitgeverij C.F.I. Nederland
Eerste druk 2016
Email: cfi.nederland@gmail.com
ISBN 978-94-92178-02-2
NUR: 700 Theologie Algemeen

Omslagontwerp: een bewerking door Femke van Dam van Joel Joseph van de website The Prophetic scroll en diens bewerking van de Rabbi-tekening van Herman Gold.

Drukwerk Nederland: Drukkerij Van der Vlist, Waddinxveen
Bestellingen: bestelling@cfi-nederland.nl

bvdijk@theophilme.nl




Tenzij anders aangegeven, zijn alle bijbelcitaten afkomstig uit de Herziene
Statenvertaling.

© Christian Friends for Israël. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbenden.


Dit boek is opgedragen aan de Verenigde Pinkster en Evangeliegemeenten

dat op aandringen van het Comité Gemeentehulp Israël in november 2011 de 'Positieverklaring ten aanzien van Israël' in nog geen A4'tje (in zes punten, ondersteund met Bijbelteksten in de zijlijn) unaniem had aangenomen. Daarin werd verklaard dat er zegen rust op het zegenen van Israël; de verwerping van de vervangingsleer; een aparte rol voor Israël en de gemeente in Gods heilsplan; een onderscheiden positie tussen Joden en niet-Joden; niet-Joden zijn niet gebonden aan de Joodse voorschriften; de landsbelofte aan Israël is eeuwig.



Voorwoord uitgever


U hebt nu een boek in handen dat u nieuwe inzichten zal geven. Wat maakt dit boek zo bijzonder ten opzichte van andere boeken over dit onderwerp?

Dit boek bevat een uitgebreide uitleg en is zeker aan te bevelen voor alle kerken en denominaties in ons land.

Bob van Dijk neem u mee in zijn persoonlijke ervaringen, om te waarschuwen voor valkuilen, die u in uw zoektocht zou kunnen tegenkomen. Wij bidden dat dit boek zal meewerken om u alert te houden in uw reis naar de waarheid.


Wij van Christian Friends of Israël Nederland zijn dan ook zeer verheugd, dat er eindelijk een boek is dat duidelijkheid verschaft. Het voorziet in de behoefte naar meer Bijbelse waarheid en het zal zeker uw beeld en inzicht verrijken in een duidelijkere kijk op de huidige tijd waarin wij leven.

Ook voor de Keshercursisten zal dit boek een welkome aanvulling zijn in de zoektocht naar de waarheid en verdere studie na de Keshercursus. Ook voor persoonlijke Bijbelstudie zal dit boek verrijkend kunnen werken.


Christian Friends of Israël Nederland heeft twee doelen: de kerken dienstbaar te zijn en onderwijs geven over de Hebreeuwse wortels, door middel van de Keshercursus. Als docent van onze Keshercursus heeft Bob van Dijk een grote ervaring op gebouwd in het lesgeven van de wortels van ons geloof.
”Onderwijst al de volken” (Mattheüs 28 vers 19) is wat JHWH, de God van Abraham, Izaäk en Jacob, de God van Israël, meermaals zegt in Zijn woord.



  • Kyre van Opstal
  • Founder en President
  • Christian Friends of Israël Nederland



Woord vooraf



Deze handreiking is opgesteld, n.a.v. de positieverklaring van de VPE over de relatie van de Gemeente ten opzichte van het volk Israël, die in november 2011 werd ondertekend,[1] en was aangereikt en opgesteld door toenmalig voorzitter van het Comité Gemeentehulp Israël (CGI).

Deze handreiking is bedoeld als ondersteuning van met name voorgangers, oudsten en andere leidinggevenden, die gelieerd zijn aan de VPE evenals de diverse Baptisten- en Messiaanse (Joodse) gemeenten of overige onafhankelijke gemeenten.
Zij wil een hulpmiddel zijn bij het bepalen van kaders m.b.t. het verstaan van onze verhouding als gemeente met het volk Israël. Wij merken dat er een groeiende behoefte is om meer te willen weten over deze relatie. In het bijzonder ook vanwege ons toenemende contacten met Messiasbelijdende Joden en gemeenten. Zij is niet alleen bedoeld voor persoonlijke oriëntatie, doch ook voor bespreking in besturen, Bijbelkringen en als ondersteuning bij pastoraat. Vooral ook om enthousiaste Israël liefhebbers te begrijpen, te begeleiden en te kanaliseren. Doch belangrijker nog - de apostel Paulus roept ons hiertoe persoonlijk op - is onze hulp aan henzelf: Immers, omdat de heidenen [wij dus] deel hebben gekregen aan wat de heiligen in Jeruzalem in geestelijk opzicht geschonken hebben, zijn ze ertoe verplicht hen bij te staan [in materiële zaken]. Rom. 15:27
Dikwijls horen wij namelijk verhalen, waarbij voorgangers eigenlijk wel iets met Israël willen, doch bang zijn voor verdeeldheid of uitwassen of zelf gewoon niet weten hoe zelf positie te bepalen t.o.v. vraagstukken waarin de gelovigen uit de volkeren al moeite mee hadden, zoals de rol van de Thora, het houden van Joodse gebruiken, zoals de Sabbat, de feesten of koosjer eten. Of meer actuele vraagstukken over de politieke en maatschappelijke situatie in het land, de landbeloften of de nederzettingenpolitiek. En anders is er nog wel de Messiaanse Jood in uw eigen gemeente of omgeving, die zijn plek zoekt te vinden en moeite heeft in het aansluiten bij onze eigen tradities.

Er is bewust voor gekozen om deze handreiking in de vorm van stellingen op te stellen. Het doel daarvan is om ruimte op te laten voor andere opvattingen of zienswijzen en ook onszelf niet vast te pinnen op wat doorgaans voorlopige conclusies zijn op basis van ons eigen leerproces. De stellingen zijn wel zo gekozen, dat zij allemaal wissels laten zien en ons voor een keus plaatsen, daar al of niet mee in te stemmen. De stellingen beslaan een groot aantal onderwerpen, doch laat een aantal onderwerpen buiten beschouwing, zoals de triniteit, de persoon en het zoonschap van Jesjoea. De auteur heeft zich ook ingehouden bij uitdieping van eindtijdkwesties en afgezien van diepere behandeling van de Feesten van JHWH. Die vergen aparte publicaties, waarbij vooral van belang is nader in te gaan op het verschil in Hebreeuws en Grieks denken. Geenszins meent de auteur volledig te zijn en verdienen alle thema’s nadere uitwerking of aanvulling. Wel heeft hij getracht zoveel mogelijk knelpunten in beeld te brengen en willen dienen als gids d.m.v. verwijzingen naar andere literatuur in de voetnoten.
Bij de formulering is steeds bewust gekozen voor het persoonlijke voornaamwoord ‘wij’. Daarbij wil de auteur aangeven, dat het niet maar zijn persoonlijke opvattingen zijn, doch de positie tracht weer te geven van christenen die op zoek zijn naar de (Hebreeuwse) wortels van hun geloof.

Tenslotte heeft de auteur deze handreiking ook voorzien van een viertal bijlagen om enigszins ons gebrek aan kennis en historisch bewustzijn en inzicht te compenseren en als stimulans om zelf verder te onderzoeken. Bijlagen 3 en 4 zijn meer bedoeld ter kennisgeving. Indien die informatie juist is, heeft zij namelijk een aanzienlijke impact op onze kennis en wetenschap van het Nieuwe Testament.

Speciale dank gaat uit naar de meelezers van het concept en hun waardevolle kritiek en aanmoedigingen: Marco van Putten, Tony Jurg, Izaäk van der Vlist en mijn vrouw Marja van Dijk-van de Vliert.



Drs. Bob van Dijk
Houten, april 2016




Handreiking voor onze verhouding met Israël


Doelstelling handreiking

Zoals gezegd is dit document bedoeld als handreiking ter verdere onderbouwing van de Positieverklaring van de Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten (VPE) over de relatie van de Gemeente ten opzichte van het volk Israël, die in november 2011 werd ondertekend.[2] Zoals Jan Barendse sr. dat zei, was dat een belangrijke theologische stap ten opzichte van de positie van onze gemeenten en Israël. De vraag is echter of velen wel begrijpen wat de consequenties daarvan zijn en hoe de vervangingstheologie viel dieper in onze genen zit, dan we door hebben, laat staan dat we weten hoe het dan wel zit.

De diepgravende theologische analyse van de vervangingstheologie door de Amerikaanse systematische theoloog R. Kendall Soulen, geldt als een van de meest grondige ooit. Soulen promoveerde begin jaren negentig op de studie The God of Israël and Christian Theology[3] aan de bekende universiteit van Yale in de V.S. Zijn inleiding verwoordt precies wat de aanleiding van deze publicatie is: “Veel kerken onderzochten de vervangingsleer en hebben intussen publiekelijk beleden dat trouw aan het evangelie de verwerping van de vervangingsleer en bevestiging van Gods ononderbroken trouw aan het Joodse volk vereist. Maar in plaats dat deze belijdenis de relatie van de kerk met de God van Israël tot een nieuw evenwicht bracht, heeft ze de kerk een aantal nieuwe lastige vraagstukken opgeleverd waarvan de consequenties nog niet werkelijk te overzien zijn. Want de verwerping van de vervangingsleer draagt onvermijdelijk verreikende implicaties met zich mee voor alle onderdelen van de christelijke theologie. En de volle reikwijdte van deze implicaties is bij lange na nog niet duidelijk. (p. x)” Vervolgens zegt hij: “Alleen wanneer de erkenning van de theologische ontoereikendheid van de vervangingstheologie in het centrum staat van de nieuwe houding van de kerk ten opzichte van het Joodse volk, alleen dan is er werkelijk grond voor een vernieuwing van de christelijke theologie en het christelijke leven.“

Elders stelt hij dat de vervangingsleer (supersessionism in het Engels) deel uitmaakt van wat hij noemt de 'deep grammar' van de klassieke theologie (p.16) . Jeroen Bol,[4]die een paar enthousiaste inleidende artikelen heeft geschreven over Soulen’s boek[5], zegt terecht: “Met andere woorden, wanneer je afstand gaat nemen van de vervangingsleer, raak je aan iets dat de klassieke theologie tot in de haarvaten heeft gekleurd. Je bent er dus niet door te stellen dat je als kerk de vervangingstheologie als zijnde niet bijbels afwijst. Of dichter bij huis: Dat je als kerk onopgeefbaar verbonden bent met het volk Israël. Dat is een cruciale stap, maar tegelijk een stap die volgens Soulen onvermijdelijk een nieuwe bezinning op het geheel van de klassieke theologie vraagt. Het valt te begrijpen dat velen voor deze stap terugschrikken. Maar sinds het duidelijke, zij het indirecte, verband tussen de vervangingstheologie en de Shoah door een scala aan theologen, historici en filosofen onweerlegbaar aan het licht is gebracht, is er voor kerk en theologie in feite geen weg meer terug. Theologiseren zonder de Shoah in rekening te brengen is net zo iets als astronomie bedrijven en tegelijk Copernicus negeren. Overigens is het geen wonder dat er na pakweg vijftig jaar postholocaust theologie nog geen breed gedragen nieuwe consensus is ontstaan over de relatie Kerk-Israël en de verdere implicaties voor het geheel van de (systematische) theologie. Een theologische traditie van ruim 1800 jaar anti-judaïstische exegese en dogmatiek reviseer je niet even binnen een tijdsbestek van vijftig jaar. En een nieuwe breed gedragen consensus hierover bereiken is nog weer een stap verder. En dat is exact de situatie waar we voortdurend mee te maken hebben en waar we in ons land pijnlijk eigen en andermans theologische neus tegen stoten…We bevinden ons mondiaal als kerk en theologie momenteel midden in een theologische verbouwing waar het de relatie kerk-Israël betreft. Tijdens een verbouwing is het altijd lastig zaken doen en dat geldt helemaal voor een Europese kerk die haar handen al meer dan vol heeft aan de enorme aanslag van secularisatie en kerkverlating. Dat zijn niet bepaald de ideale omstandigheden voor een ingrijpende verbouwing van het leerstellig huis. Het is tamelijk ontstellend te moeten constateren dat de belangstelling voor deze verbouwing de afgelopen twintig jaar in theologisch Nederland sterk is afgenomen.” Waarvan akte!

Hernieuwde bekering tot de God van Israël

Iets wezenlijks bijdragen aan het herstel van dit funeste theologische manco is een van de grote drijfveren van Soulen bij het schrijven van zijn boek. Soulen verwoordt het als volgt: “Dit boek is een poging om het scala aan implicaties te doordenken van de nieuwe houding van de kerk ten opzichte van de God van Israël en het Joodse volk. Het boek neemt de verwerping van de vervangingstheologie door hedendaagse kerken als uitgangspunt en stelt vervolgens twee vragen: hoe diep is de vervangingsleer verstrengeld met het traditionele bouwwerk van de theologie? En hoe kunnen christenen hun Bijbel lezen en hun meest diepe overtuigingen verwoorden op manieren die vrij zijn van de vervangingsgedachte? Kortom, hoe kunnen christenen echt christen zijn zonder triomfalisme ten opzichte van Joden? Op een ander niveau echter beoogt dit boek een meeromvattende bezinning op gang te brengen over de God van Israël en christelijke theologie in onze tijd, een tijd die door sommigen gekarakteriseerd wordt als 'postchristelijk'. Het boek betoogt dat de integriteit van christelijke theologie in dit tijdsgewricht een hernieuwde bekering vereist tot de God van Israël, en wel tot in de basisuitgangspunten van het christelijke denken. Ik beweer dat een dergelijke bekering noodzakelijk is vanwege het feit dat christelijke theologie in zijn dominante klassieke en moderne gedaanten in wezen een onvolledige bekering belichaamt tot de levende God, de God van Abraham, Isaäk en Jacob. De cruciale kenmerken van deze incomplete bekering zijn een triomfalistische houding ten opzichte van het Joodse volk en een latent gnostische kijk op Gods betrokkenheid met het hele terrein van de geschiedenis van de mensheid.” ( pag. x)

Dit citaat geeft ook goed weer wat ook wij zien als onze drijfveer. Wij willen dat echter doen aan de hand van 15 stellingen. De hoop is dat deze handreiking zal aanzetten tot een beter begrip van Gods plan met Israël en de volkeren en het werk van het Comité Gemeentehulp Israël met Messiasbelijdende Joden. Daarbij we ons tevens willen scharen achter de oorspronkelijke verklaring van Toward Jerusalem Council 2[6]“Op Weg Naar het 2e Concilie van Jeruzalem”. Deze is te vinden op de website van TJCJII, evenals een brochure over de Messiaans Joodse Beweging van Daniel Juster en Peter Hocken.[7]

Ondertussen is in Nederland een bijzonder boek verschenen, dat voortbouwt op de bovengenoemd boek van Soulen, door een nieuwe herziene Bijbelse theologie te schrijven die recht doet aan het complete canonieke verhaal van de Schrift. Het boek heet ‘de Messias leren – Israël en de volken – Gods weg nieuw leren lezen’, van emeritus predikant van de Protestantse Kerk Nederland Edjan Westerman.[8]
Dat doet hij door vast te houden aan de blijvende roeping van (‘het kamp van’) Israël als priestervolk een licht te zijn voor de naties, ondank eigen ongehoorzaamheid en het verzet van de volken, dat met profetische woorden over Messiaanse tijd ons leert over de 8e dag. Zij roepen ons op tot inkeer, omkeren en omdenken teneinde met de Heilige God onderweg te gaan naar de tikoen olam.

Voorafgaand aan de stellingen volgt als hulp bij deze handreiking eerste een overzicht van definities. Want waar hebben we het precies over als we praten over het Joodse volk of Israël, want is Israël wel altijd Israël en zijn Joden wel altijd Joden en zijn heidenen (gojim) niet ook gewoon naties en zijn Messiasbelijdende Joden hetzelfde als Joodse christenen?[9]


Definities

In 1 Corinthiërs 10:18 staat volgens de Nieuwe Bijbelvertaling en Groot Nieuws: Kijkt u eens naar het volk van Israël. Hebben tempeldienaars die van de offers eten niet eveneens deel aan hetgeen geofferd wordt? Dat de term Israël meerduidig is, blijkt al uit de verschillen in de vertaling van de Herziene Staten Vertaling en de NBG van 1951 waar het volk van Israël letterlijk met Israël naar het vlees en de Willibrordvertaling met het Joodse volk vertaald worden.

In dit vers refereert Paulus aan Israël als een groep die duidelijk onderscheiden wordt van de gemeente of gemeenschap te Korinthe. Die groep bestaat uit individuen die mogen eten van de heilige offers. In Paulus dagen waren dat alleen diegenen die volgens de halacha[10] (juridisch) Joods waren. Paulus definieerde hen dus als: zij die als Jood geboren waren of die als proseliet het voorgeschreven ritueel van bekering tot het Judaïsme hadden ondergaan.

Waarom zou hij ‘naar het vlees’ hebben toegevoegd aan Israël?

De kwalificatie was nodig, omdat de Corinthiërs ook een identiteit hebben in de generieke term Israël. Tegenover dit Israël-naar-het-vlees, staat in feite het Israël-naar-de-Geest, of Geestelijk Israël, of Koninklijk Israël. Paulus gebruikt deze termen echter niet. Paulus gebruikt twee andere termen: het Israël van God in Gal. 6:16[11] en het burgerschap van Israël in Ef.2:12. In het Engels ook wel vertaald met Commonwealth (Gemenebest Israël).

De apostelen geloofden dat in het komende Koninkrijk, de Messias over de hele aarde zal regeren als Koning van Israël. Paulus zag gelovige heidenen in de Messias als burgers van dat toekomstige koninkrijk van Israël. Ook al waren ze niet Joods [in etnische zin], verkregen ze wel het burgerschap in Koninkrijk Israël, net zoals niet-Romeinse onderdanen van het Romeinse Rijk, [net als Paulus] Romeins burgerschap konden krijgen.

Paulus gebruikt deze termen om onderscheid te kunnen maken tussen Joden die wel geloven, dat Jesjoea de beloofde Messias is - ook wel het overblijfsel genoemd -en zij die dat niet doen (de natuurlijke takken die zijn weggesneden uit de Olijfboom-metafoor).

In diezelfde Olijfboom-metafoor spreekt Paulus over ons gelovigen uit de heidenen, als degenen die zijn geënt op de stam van de Olijfboom, waarvan de wortels teruggaan op Abraham. Ook deze gojim mogen zich zonen van Abraham noemen, de vader van Izaäk en Jacob, die als eerste de naam Israël kreeg. Samen met de Joodse gelovigen in Jesjoea vormen deze gojim de gemeente van de ene nieuwe mens.[12]

Voor de nodige onderscheidingen gaan wij uit van de volgende definities:

  • Hebreeën: alle nakomelingen van Abraham, Izaäk, Jakob en zijn zonen. Dit woord is afgeleid van Eber, voorvader van Abram en betekent [de Eufraat] overgestoken. Deze aanduiding impliceert dus het wegtrekken uit Babel, op weg naar het Beloofd land aan de overkant.
  • Joodse volk: strikt genomen zijn dit alleen nakomelingen van de stamvader Juda en is het primair een etnische aanduiding. Gemakshalve wordt dit dikwijls – pars pro toto - gelijkgesteld aan Israël of Gods volk. Hoewel goed bedoeld, is dit formeel onjuist.
  • Judeeërs: etnische Judahieten, afstammelingen van Juda [Ioudaioi], bewoners in het stamgebied van Juda, anders dan bijv. Galileeërs of andere delen van het land.[13] Als er sprake is van het huis va Juda horen daar in bredere zin ook Benjamin en Levi toe. Met name in het Johannes-evangelie eerder aanduiding van de Joodse autoriteiten of sektarische Joden, in het bijzonder Farizeeën en hun aanhang.[14]
  • Joden: zijn strikt genomen Judeeërs, doch in het spraakgebruik wordt het dikwijls gebruikt als etnische afstammeling van Jakob of toegetreden tot het Judaïsme. Deze term is echter pas in ten tijde van de Babylonische ballingschap ontstaan en vinden we in de boeken Eshter, Ezra en Nehemia. Als we in Eshter 8:17 lezen "en velen uit de volken des lands werden Joden, want de schrik voor de Joden was op hen gevallen" impliceert dat mensen die zich bij Juda aansluiten, niet plotseling natuurlijke, historische afstammeling van Juda zijn geworden.[15] In deze religieuze betekenis vallen Jood en Judeeër zeker niet samen. In het spraakgebruik worden alle Joden Israëlieten genoemd, doch niet alle Israëlieten zijn Jood! (Zie Israël). Door de diaspora is de vraag opgekomen wie een echte Jood is én na de oprichting van de Staat Israël wie het recht heeft op terugkeer. Volgens de huidige wet in Israël ben je een Jood of Jodin als je geboren bent uit een Joodse moeder of je door een mikwe, een rabbijns bekeringsritueel met onderdompeling in stromend water, tot het judaïsme hebt bekeerd. Voor mannen geldt bovendien de besnijdenis.
  • Israël[16]: Joden reserveren deze term om zichzelf aan te duiden als Gods volk, het volk van de belofte aan Abraham, Izaäk en Jakob. Pas na zijn worsteling met een engel bij de Jabbok kreeg hij de naam Israël, dat staat voor strijder met en voor God. Dus Israël is een gekwalificeerde term, die meer inhoudt, dan alleen een etnisch volk, zoals andere volken. De Bijbel spreekt dan ook voortdurend over Israël en de volkeren. Judaïsten gebruikten deze term tegenover heidenen veelal in elitaire zin. Daarnaast komen we Israël tegen als:
  • De 12 stammen, dus zowel Juda als Efraïm (vanaf Exodus tot en met Salomo)
  • Huis van Israël (10 stammen) naast Huis van Juda (2 stammen) vanaf Rehabeam/Jerobeam. Jeremia 11:6 Een bladerrijke olijfboom, met welgevormde vruchten, wiens oorspronkelijke natuurlijke takken zijn gebroken en opnieuw geënt moeten worden, had JHWH u als naam gegeven.
  • Ha’aam (het volk) in tegenstelling tot de gojim (de volkeren) met als associatie de heidenen.
  • Israël naar het vlees (voornamelijk Joden) (Nieuwe Testament)
  • De staat Israël (vanaf 1948)
  • Efraïm (jongste zoon van Jozef, die door opa Jakob wordt gezegend met het eerstgeboorterecht en wiens naam betekent: zal worden tot een menigte volkeren, Gen. 48:19) staat later voor het Huis van Israël als representant van de tien stammen van het Noordelijke rijk als degene in wie Jakobs naam Israël bij uitstek voortleeft en uit wie tal van volkeren zijn voortgekomen en een sleutel is tot het verstaan van wat wel het geheimenis van “Israël” wordt genoemd, dat ondanks de echtscheidingsbrief die ze meekrijgt (vergelijk de namen Jizreël, Lo-ammi en Lo-ruchama die Hosea aan zijn kinderen geeft) en haar ogenschijnlijke opgaan in de volkeren, waardoor zij werden als de heidenen, als uit de dood opstaan en [in Jesjoea] niettemin genoemd zullen worden: kinderen van de levende God.
  • ‘Israël van God’: Gods volk. Zowel Joodse als niet-Joodse volgelingen van de Messias. De Messiaanse gemeenschap in polemische zin tegenover judaïsten. Dit is echter niet hetzelfde als het Nieuwe Israël (de kerk) versus het Oude Israël. De kerk is niet het nieuwe of ware Israël, noch zijn Israël en Kerk twee aparte volkeren van God.
  • ‘Geheel Israël’: het juridische én koninklijke Israël dat geleid wordt door geestelijke leiders met JHWH als Koning. Het symbool staat voor het toekomstige Gemenebest van Israël (zowel het Huis van Israël als het herstelde Huis van Efraïm).
  • Judaïsten: veelal Farizeeën en Schriftgeleerden en dus ook ijveraars voor de Thora behorend tot Israël naar het vlees, doch is niet gelijk aan het Israël van God[17], waar Paulus van spreekt in Galaten 6:16
  • Notzriem: de modern joodse aanduiding voor christenen, oorspronkelijk ook de aanduiding van wat we ‘Joodse of Hebreeuwse christenen’ noemen, doch vanwege negatieve connotaties van ‘christen’, nu bij voorkeur Messias belijdende Joden noemen, die eveneens ijveraars voor de Thora genoemd worden, aan wie de brief aan de Hebreeën specifiek is gericht.
  • Nazoreeërs ook wel Nazareners genoemd zijn feitelijk dezelfde als deze Notzriem, doch zijn door kerkvaders getypeerd als een judaïstische sekte, die vasthield aan gebruiken als de Sabbat en de besnijdenis. Zij hebben een "eigen" Evangelie van de Nazoreeërs[18] dat in het Hebreeuws was geschreven. R.A. Pritz beweert dat de afkomst van de Nazoreeërs kan worden teruggevoerd tot de opvolgers van de eerste christengemeenschap in Jeruzalem.[19]
  • ‘Messiaanse Jood’: iemand die in Jesjoea gelooft als de Messias én als Jood is geboren en zijn Jood zijn blijft erkennen.[20] Deze term wordt gebruikte als verkorte aanduiding voor messiasbelijdende Joden in Jesjoea. Formeel zijn echter alle Joden messiaans, in die zin dat elke Jood in de komst van de Messias gelooft. In het spraakgebruik wordt met Messiaanse Jood echter een Jood bedoeld, die in Jesjoea gelooft als ha-Masjiach en daarmee onderscheiden wordt van een (ultra)orthodoxe, conservatieve, reform of liberale Jood.[21]Zij wordt ook gebruikt om zich nadrukkelijk te onderscheiden van het woord 'christenen'. Voor de meeste Joden is de geschiedenis van de kerk en de Joden immers geschreven in Joods bloed. Joseph Rabinowitz (1837-99) uit Kisjnev (Moldavië) geldt als de eerst (chassidische) Jood die de term Messiaanse Jood gebruikt heeft om te verwijzen naar Joden, die tot geloof in Jesjoea waren gekomen. In het jaar 1882 reisde hij naar 'Palestina', waar hij de Olijfberg een visioen had, dat Jesjoea de Messias was en de oudere broer van het Joodse volk. Terug in Bessarabia (Zuid-Rusland) vergaarde hij een groot aantal Joden bijeen die ook in Jesjoea geloofden en noemde zijn gemeente 'De Israëlieten van het Nieuwe Verbond'. Hoewel deze inheemse beweging uitstierf, was zij een uitgesproken Joodse expressie van het geloof in Jesjoea. Vanaf de jaren 70 is ook de term Hebreeuwse christen vervangen, om meer de nadruk te kunnen leggen op de Joodse continuïteit.
  • Messiaans evangelischen: dit zou een nieuwe term kunnen zijn voor niet-joodse christenen die op sabbat bijeenkomen, zich verbonden weten met Israël, de Bijbelse feesten meevieren en zich tevens oriënteren op de Thora, zonder Jood te hoeven zijn noch besneden worden. Soms ook wel aangeduid als Messiaanse heidenen.
  • Gojim: meervoud voor goj, betekent doorgaans volk of natie (en wordt zelfs voor Israël gebruikt, Ex.19:6) doch later vanaf Tweede Tempelperiode ook de negatieve connotatie heeft van heiden of heidens.[22] Het hangt dus van de context af, hoe dit het best te vertalen.[23]
  • Ecclesia, of de gemeente: een twee-eenheid van Joodse volgelingen van Jesjoea én gelovigen-uit-de-volkeren. Haar oorsprong ligt niet bij Pinksteren, doch bij de verbondssluiting bij de berg Sinaï (Exodus 19-24), waar zij in het Hebreeuws Qahal wordt genoemd, zoals we terugzien in de woord kehilat, de term die dikwijls door Messiaanse gemeenten in Israël wordt gebruikt. De Septuaginta heeft qahal vertaald in ecclesia, van waar bij het wordt gemeente en via het Latijn [Circe] het woord kerk hebben afgeleid. NB: het volk dat bij de berg Sinaï instemde met het verbond, bestond naast Hebreeën ook uit ‘vreemdelingen’
  • Christenen: oorspronkelijk een scheldnaam voor niet-Joodse volgelingen van Jezus Christus of de Chrestus (Gezalfde). Het Griekse woord voor de Messias.
  • Mesjieach: iemand, die zich gezalfd weet door Jesjoea, de priester-koning uit de Orde van Melchizedek en zich laat leiden door de hartenklop van deze Messias, zich voorbereidt op het Feest van de Bruiloft van het Lam, zich geënt weet op de edele olijfboom, de oude paden van de aartsvaders bewandelt, een huisgenoot Gods is in Beth-El en woont in de tenten van Sem.[24]




DE STELLINGEN

1a Inderdaad geen vervangingsleer meer, maar wie zijn wij dan?

Wij geloven zoals in de positieverklaring staat vermeld, dat God Israël niet heeft verstoten, noch dat de gemeente Israël heeft vervangen, zoals de vervangingsleer stelt. Ten onrechte hebben wij christenen eeuwenlang geloofd en gehandeld alsof wij als het ‘Nieuwe Israël’ zijn en in de plaats van Israël2 zijn gekomen.

1b De Gemeente is niet pas met Pinksteren geboren

Als wij zeggen dat de 'kerk of gemeente' pas op de Pinksterdag, tijdens de uitstorting van de Heilige Geest is ontstaan, maken we een grote ondoordachte denkfout met ernstige consequenties. Toen die uitstorting tijdens het Wekenfeest of Sjavoe'ot op het Tempelplein plaatsvond en niet in een bovenzaal, zoals zo vaak ten onrechte gedacht en uitgebeeld, was immers niet één heiden aanwezig en moest het woord christen nog uitgevonden worden.

2a Gods plan met Israël én de volkeren

Wij geloven dat hoewel Joodse en niet-Joodse volgelingen van Jezus nu één zijn in de Messias, wij als gelovigen uit de heidense volken, onze erfenis nog steeds te danken hebben aan onze Joodse broeders en zusters én er een blijvend onderscheid zal zijn tussen Israël en de volkeren.

2b De christelijke gemeente vervangt het volk niet

Het is niet juist dat de gemeente pas op de Pinksterdag is ontstaan, tijdens de uitstorting van de Heilige Geest na Petrus toespraak.[25]

2c Het Geheimenis van het Evangelie

Dat wij gelovigen uit de heidenen mede-erfgenamen zijn, is niet minder dan een groot geheimenis.

2d Twee Huizen

Wel onderkennen wij de hereniging van de Twee Huizen: Israël (Efraïm) en Juda (Joden), zodat het zal zijn: één kudde en één herder!

3a Geen tweewegenleer voor ons behoud, doch wel twee gestalten naar hetzelfde doel van het Koninkrijk van God

Wij aanvaarden de weigering van het Joodse volk om Jezus van Nazareth als Messias te aanvaarden als een heilig ‘geheimenis’.[26] Wij zijn des te meer blij met Joden die Jesjoea binnenhalen als een Jood, doch wijzen een tweewegenleer af.

3b Joden die Jesjoea belijden[27]

Wij zijn blij met Joodse volgelingen van Jezus over wat zij ons kunnen leren over het ontdekken van de wortels van ons geloof en wij begrijpen en erkennen dat zij zich geen christen noemen, maar Jesjoea haMasjiach belijdende Joden.

4 Wel herbouw van de vervallen soeka van David, doch geen besnijdenis voor de gojiem

Wij geloven dat de Eeuwige bezig is de wereld met Zichzelf in Zijn Zoon te verzoenen en werkt aan de wederoprichting van alle dingen,[28] zoals de herbouw van de vervallen hut van David, precies zoals de profeet Amos profeteerde en de apostel Jacobus bevestigde (op het concilie van Jeruzalem in Hand. 15) en waarvan we voor onze ogen in Israël allerlei vervullingen kunnen waarnemen.

5a Besluit concilie te Jeruzalem voor ons uit de volkeren: breek met heidendom!

Wij scharen ons achter de pastorale brief, die na datzelfde concilie van Jeruzalem van Joodse gelovigen in de Messias werd opgesteld, waarin staat dat gelovigen uit de volkeren, ook tot het volk van God werden gerekend, zonder zich te hoeven besnijden volgens het gangbare bekeringsritueel. Wel moesten zij in hun bekering daadwerkelijk laten blijken afstand te nemen van hun heidense tempels en rituelen (afgoderij, moord en immoraliteit).

5b Toward Jerusalem Council II

Wij scharen ons achter het initiatief van Toward Jerusalem Council II, waarbij de vraag nu omgekeerd is: Kunnen Joden Jezus aanvaarden, zonder zich tot het christendom te bekeren?

6a Nieuwe Verbond heft de blijvende geldigheid van de Thora niet op, doch vernieuwt haar juist

Wij geloven niet dat het Nieuwe Verbond inhoudt dat de Thora voor de gelovigen uit de heidenen geen geldigheid of nut meer heeft. Integendeel, zij komt nu pas tot haar doel. [29] Het Nieuwe en betere Verbond is een vernieuwing van het Oude en niet een afschaffing daarvan!

6b Grootste deficiëntie van de christelijke theologie

Daarbij geloven wij dat Jesjoea niet kwam om de Thora af te schaffen, doch om die te vervullen. Wij geloven dat elke jota en tittel zijn betekenis heeft.

6c Het probleem met de mondelinge overlevering

Wij geloven met de Karaïten niet in het gezag van de mondelinge overlevering, zoals is vastgelegd in het rabbinale Jodendom. Het is een gemengde bagage, waar veel geestelijk onderscheidingsvermogen voor nodig is en kennis van de historisch context voor de ontmoeting met het levende jodendom (in het leerhuis).


7a Pas op voor de valkuilen van jaloezie, legalisme, (anti)judaïsme en (anti)zionisme

Wij geloven dat wij mede-erfgenaam zijn en dat het daarom niet nodig is, dat wijzelf Jood worden en daarbij moeten wij zeker niet proberen om ‘Jood te spelen’.

7b Blind oog en kritiekloos?
Een tweede valkuil is een blind oog te hebben voor de neveneffecten van het politieke zionisme als ideologie, waarbij elke kritiek op de staat Israël wordt afgedaan als antizionisme. Doch de scherpe kritiek van zowel extreemrechtse als de linkse politieke vleugels geven eenzijdig en vertekend beeld en geven blijk geen inzicht noch oog te hebben voor Gods eeuwige raadsplan.

8a Onopgeefbaar verbonden: wie aan Israël komt, komt aan de kerk

Wij geloven dat wij als gemeente (van gelovigen uit de volkeren) onopgeefbaar verbonden zijn met het Joodse volk.

8b Tijd van Elia

Wij geloven dat wij als gemeente tesjoeva moeten maken, door de relatie met onze ‘oudste’ broer te herstellen.

9a JHWH heeft in Zijn agenda op gezette tijden een afspraak met ons

Wij geloven dat op het gebied van eten en drinken, feestdagen, nieuwe manen of sabbatten wij elkaar niets hoeven voor te schrijven (Rom. 14), doch wij geloven dat zoals de Eeuwige zijn volk op gezette tijden wilde ontmoeten, Hij dit nu ook nog van ons vraagt.

9b Terug van zondag naar zaterdag?

Wij begrijpen, dat wij niet zomaar 1700 jaar geschiedenis kunnen terugdraaien, maar het zou goed en eerlijk zijn, als wij als (protestantse) kerkgenootschappen zouden erkennen, dat wij tegen Gods Thora in, Zijn wetten en vastgestelde tijden hebben veranderd vanuit afkeer en vooroordelen tegen het Joodse volk.

9c Hemelse voedselbank

Wat eten en drinken betreft, doen wij er goed aan ons te beperken tot de Hemelse voedselbank, waarmee ook de wetenschap steeds meer instemt.

10 Gevolgen van de bedelingenleer en nieuwe inzichten

Wij geloven dat de bedelingenleer, vanuit een verlangen Gods woord recht te verdelen in verschillende dispensaties van heil, leunt op een rationele en niet op een Bijbelse-Hebreeuwse hermeneutiek. Er zijn weliswaar nog onvervulde profetieën voor het volk Israël, maar er zijn ook allerlei tekenen van de tijd, die wijzen op het herstel van Gods koninkrijk op aarde. In afwachting op de komst van de Bruidegom en de grote oogsten, willen wij onze lamp brandend houden, zodat Hij bij zijn komst en verwelkoming ons hier op aarde bezig ziet (samen met Israël) met de Zaak van zijn Koninkrijk en zijn gerechtigheid (tikkoen olam).


11 Christenzionisme nader beoordeeld

Wij erkennen dat er meerdere vormen van zionisme zijn en dat niet elke vorm even Bijbels is, zelfs niet elke christelijke vorm. Doch tegenover zowel rabbijnse vormen als christelijke vormen van (anti)zionisme, geloven wij dat God zelf een Zionist is, doordat Hij is opgestaan om Zich over Zion te ontfermen (Psalm 102:14) en in staat is om zowel seculiere regeringsleiders en ideologen als fundamentalistische gelovigen en kolonisten te gebruiken om tot Zijn doel te komen.
Wij geloven met de eerste puriteinse christen-zionisten die lazen over de beloften, dat de tijd is gekomen voor het Joodse volk om terug te keren naar het land Israël en dat er geen ander land en volk ter wereld is, dan Israël, dat zich kan beroepen op de door de Eeuwige Zelf gegeven landbelofte.

12 De oprichting van de staat Israël en de terugkeer van Joden zijn vervulling van profetie!

Wij geloven dat Israëls onafhankelijkheid op vrijdag 14 mei in het schrikkeljaar 1948 en Israëls verovering van Jeruzalem op 7 juni 1967 Gods uitroepteken was aan een wereld die toekeek, dat de profetische dienstregeling precies op tijd liep[30].

13a Het Palestijnse drama: leren kijken door de ogen van mijn vijand

Onze liefde voor Israël wil echter niet blind zijn voor onrecht gedaan aan hun neven en andere minderheden of vreemdelingen. Wij willen met onze broeders meestrijden voor Zijn Koninkrijk en Gerechtigheid, waarvan wij geloven dat die dankzij het Nieuwe Verbond in Jesjoea haMasjiach ook tot stand zal komen.

13b Tekenen van verzoening

Alle kritiek op Israël ten spijt mogen wij nooit vergeten, dat er een geestelijke oorlog woedt, waarbij de vijand er alles aan gelegen is om Gods plan met Israël om tot redding van de mensheid te komen, te dwarsbomen.

14 Ismaël, Arabieren en Palestijnen

Wij geloven dat de Aanwezige ook Ismaël en zijn nazaten heeft gezegend en dat er een beloofde bestemming voor de Arabische volken en een broederschap tussen Arabieren en Joden klaarligt om teruggevonden te worden.

15a Oude Testament is een dubbel foute term en heeft een onjuiste indeling

Wij geloven dat het begrip ‘Oude Testament’ niet geschikt is, omdat het noch oud of achterhaald is, noch een testament is. De term testament gaat terug op een ongelukkige vertaling in het Latijn en getuigt en miskent bovendien de verschillende verbonden. De term Heilige Schrift heeft onze voorkeur evenals de indeling van de TeNaCh, (de Thora, Profeten en Geschriften) al was het maar voor het besef dat Esther, Ezra en Nehemia en de Kronieken van latere datum zijn dan Maleachi.


15b Deuterocanonieke boeken

Wij pleiten voor een rehabilitatie van de deuterocanonieke boeken, precies zoals de naam suggereert: canoniek in tweede instantie na de protocanonieke boeken en ze niet langer slechts apocrief (twijfelachtig) te noemen.

15c Nieuwe bijbeluitgave

Wij vinden dat de kerk zich actief dient te verzetten tegen de uitgave van een los NT, losgescheurd uit de gegeven band van eenheid; en een Alpha-cursus zonder Aleph-cursus niet compleet is.


1a Inderdaad geen vervangingsleer meer, maar wie zijn wij dan?

Wij geloven zoals in de positieverklaring staat vermeld, dat God Israël niet heeft verstoten, noch dat de gemeente Israël heeft vervangen, zoals de vervangingsleer stelt. Ten onrechte hebben wij christenen eeuwenlang geloofd en gehandeld alsof wij als het ‘Nieuwe Israël’ zijn en in de plaats van Israël2 zijn gekomen.

De vervangingsleer is de meest brutale diefstal aller tijden. Zonder blikken of blozen beroofden Grieks-Romeinse kerkvaders Israël van Gods unieke uitverkiezingsbelofte en eigenden zich, de door God Zelf, aan Israël verleende status toe. ‘Het Joodse volk heeft gefaald. Israël wordt vriendelijk bedankt voor het leveren van de heilige Geschriften en de Messias, maar vanaf nu neemt Rome het stokje over’[31] De kerk werd bestempeld tot ‘het geestelijk Israël’. De zegeningen vielen vanaf nu de kerk toe, de vervloekingen waren voor Israël. Er kwam een eind aan de gemeente bestaande uit Joden en heidenen. De scheidingsmuur die door Jesjoea was afgebroken, werd opnieuw opgetrokken, doch deze keer door gelovigen uit de heidenen (Efeze 2:11).

Deze nieuwe, christelijke kerk verbond de mens niet langer met de God van Israël, maar maakte hem afhankelijk van Rome. Gods eniggeboren Zoon Jesjoea werd afgesneden van Gods eerstgeboren zoon, Israël. De Romeins-christelijke kerk werd niet alleen een kerk zonder Joden, het werd een kerk die zich keerde tegen de Joden. De kerk openbaarde Jesjoea niet, maar versluierde Hem juist.

Toen het volk Israël kort na de uittocht, een stierenbeeld maakte in de woestijn, daarvoor is neergeknield en offers had gebracht, zei de Eeuwige tegen Mozes: “Ik weet hoe onhandelbaar dit volk is. Houd mij niet tegen. Mijn brandende toorn zal hen verteren.” Maar uit jou zal Ik een groot volk laten voortkomen. (Exodus 32:7-10)

Mozes verwerpt echter dit aanbod van de Eeuwige om Zijn volk te vervangen. Mozes wees God op zijn eeuwige belofte onder ede. Mozes bedacht zich geen moment, hij wees de gedachte aan een ander volk zonder enige aarzeling van de hand. Israël zou nooit vervangen worden. In tegenstelling tot Mozes sprongen de kerkvaders niet in de bres voor Gods uitverkoren volk, integendeel, zij vervingen het. Zij transformeerden de God van Abraham, Izaäk en Jakob, de God van Israël in de God van Augustinus, Luther en Calvijn, de God van Rome. De gevolgen zijn desastreus geweest tot op vandaag toe.[32]

Henk Poot geeft in zijn boek Zoon van de Gezegende (2015) een pijnlijke evaluatie van de valse profetie van de vervangingsleer. Zij is niet alleen een miskenning van Israël, maar ook een misvatting van wie God zelf is, zowel van Jezus als de kerk. Zij miskent niet alleen de plaats van Israël, zij verduistert en vervaagt de woorden van Gods openbaring in het 'Oude' Testament, het woord van de wet en de profeten en ze loochent hun kracht en rijkdom. Zij miskent de eeuwige trouw van God, zo vaak beschreven in de profeten. Hij is Degene die trouw houdt aan wat zijn hand begon en het verlorene opzoekt.
De leer is vals omdat zij ook Jezus miskent. Niet de theologie die Israël haar plaats teruggeeft, maar die dat weigert, tast de persoon van Jezus aan. Jezus is niet als de universele god-mens, losgemaakt van Israël. Hij is gekomen in het vlees van het Joodse volk. Hij is een Jood en dat is geen bijkomstigheid. Hij is wat de profeten over Hem zeggen: Hij is de Koning die de breuk tussen Israël en Juda zal genezen, die zijn volk zal weiden op de bergen van Israël, die de verstrooide dochters en zonen van zijn volk zal thuisbrengen uit de verstrooiing. Hij zal zijn volk onderwijzen in de rechte leer van de wet en die wet zal vervolgens vanuit Jeruzalem de wereld vervullen.
Deze leer is ook een miskenning van de kerk. De kerk is niet het nieuwe exclusieve volk van God. Israël is al eeuwenlang de gemeente van God. Daar werden in de tijd van de apostelen mensen uit de volkeren aan toegevoegd door het geloof in Jezus, de Messias, de Christus van Israël. Israël is ook het lichaam van de Messias. Als Paulus in de Efezebrief schrijft dat Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar heeft overgegeven, dan doelt hij niet op de gemeente die aan het ontstaan is, maar die er al was toen Jezus dat deed (Ef. 5:25). In dat verband noemt de apostel die gemeente ook het lichaam van Christus.
Deze valse profetie, die christenen zand in de ogen strooit en meent dat de kerk er goed aan doet zich stil te houden als het om Israël gaat, tast tevens het fundament en gebeente van de kerk aan. Het leem van de vervangingstheologie maakt dat de kerk verzakt en scheef hangt. Het gaat tochten en lekken. Met haar ontkenning van Israël en haar nadruk op het heil van de enkeling, helt ze over naar egoïsme. Ze heeft geen verweer tegen de vleierij van de heidense geest die niets moet hebben van de heilsgeschiedenis en het goede gevoel van het individu aanprijst. De Bijbel spreekt niet over het aansluiten bij de samenleving, cultuur of een jonge generatie. Zij spreekt wel over aansluiting van de God van Israël, die ervoor gekozen heeft Zich zo te openbaren dan dat zal blijven doen tot op de dag van het koninkrijk. Daarom moet de valse geest van de vervangingstheologe worden uitgedreven.[33]

Schaamte bedekt ons gelaat[34]

We kunnen niet meer om Israël heen. Laten we erkennen dat we er eeuwenlang naast hebben gezeten. Laten we ons hiervoor verontschuldigen, zowel bij JHWH, als bij onze oudere Joodse broer. Laten we erkennen, dat wij ‘gelovigen uit de volken’ als wilde loten - tegen de natuur in - op de edele olijfboom geënt zijn, en dat we ondanks Paulus waarschuwing om ons niet tegen de natuurlijke takken te beroemen (Rom. 11:18), hen eeuwenlang terzijde hebben geschoven. De kerk keek eeuwenlang niet naar Israël om. Maar daar gaat verandering in komen. Een heilige rest zal opstaan. “Schaamte bedekt mijn gezicht”, roept de rechtvaardige Daniël in Daniël 9:7. We kunnen hem dat slechts naroepen.

Tent van Sem gekraakt

Sem is de voorvader van de Joodse en overige Semitische volken. Cham is de voorvader van de Filistijnen, Egypte, Libië en Mesopotamië (Oud-Babel). Jafet is de voorvader van Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Thiras. Het nageslacht van Jafet trok richting Europa, zij groeiden uit tot het latere Romeinse Rijk en bekeerden zich tot het christendom.

Over Jafet spreekt Noach een zegen uit: Moge God ruimte geven aan Jafet, hem laten wonen in de tenten van Sem. Al in het begin van de Bijbel worden wij, heidenen, gastvrij uitgenodigd om te verblijven in de tenten van Sem, Israël. Wij mogen bij het Joodse volk intrekken, we mogen medebewoners worden. In Efez. 3:6 wordt deze uitnodiging herhaald.

We moeten echter erkennen, dat we de tenten van Sem in beslag hebben genomen en de rechtmatige Joodse eigenaar de tent uitgewerkt. De Joden hadden immers onze Heiland gekruisigd! Israëls rol was definitief uitgespeeld. De uitverkiezing van Israël, inclusief al Gods beloften en zegeningen zijn van Israël overgegaan op de christelijke kerk. Deze kerk van Rome is vanaf nu het ‘geestelijk’ Israël… De Joden worden bedankt voor de Thora, de Tenach en de Messias, maar hun tijd zit erop. De kerkvaders hebben de oude Joodse aartsvaders hun tent uitgeknikkerd en de tent naar eigen inzicht opnieuw ingericht...De zevenarmige menora werd buiten de tent gezet en naar Rome vervoerd. We hebben er een groot kruis voor in de plaats gezet… We vieren onze eigen christelijke feesten op onze tijd en komen niet langer samen op Sabbat, maar op zondag.[35]

Als gevolg van de kraakactie van de tenten van Sem, hebben we een heel eigen evangelie gecreëerd. Een christelijk evangelie, verkondigd in een christelijke kerk, zonder Joden, los van Israël. Hierdoor zijn we naar Gods heilsplan gaan kijken vanuit een christelijk Romeins perspectief, i.p.v. Hebreeuwse en Joodse optiek.

1b De Gemeente is niet pas met Pinksteren geboren

Als wij zeggen dat de 'kerk of gemeente' pas op de Pinksterdag, tijdens de uitstorting van de Heilige Geest is ontstaan, maken we een grote ondoordachte denkfout met ernstige consequenties. Toen die uitstorting tijdens het Wekenfeest of Sjavoe'ot op het Tempelplein plaatsvond en niet in een bovenzaal, zoals zo vaak ten onrechte gedacht en uitgebeeld, was immers niet één heiden aanwezig en moest het woord christen nog uitgevonden worden.


Er is niet minder dan een paradigmashift nodig en een inburgeringscursus om als Jafet in de tenten van Sem te leren vertoeven. Dankzij de aan ons geopenbaarde 'Jozef' mogen wij onze identiteit in de Messias (zoon van David) leren verbinden (kesjer) met de God van Abraham (vader van volkeren), Izaäk (Moria) en het huis van Jakob (Betel) en te drinken van de sappen van de edele Olijfboom. Dankzij de gave van de Heilige Geest, die ook ons ten deel is gevallen. Wee ons als wij het volk van God als Orpa met de nek blijven aankijken. Laten wij niet langer 'ruth-less'[36] zijn en een voorbeeld aan Ruth nemen, door een arm om Naomi heen te slaan en met haar mee te gaan en onze Losser juist ook daar mogen hervinden.

Worden wij in Galaten 6 dan niet het Israël van God genoemd?

Galaten 6: 15 Het is volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is, belangrijk is dat men een nieuwe schepping is. 16 Laat er vrede en barmhartigheid zijn voor allen die bij deze maatstaf blijven, en voor het Israël van God.


Deze tekst – ervan uitgaande dat het Griekse woord kai, en betekent en niet zelfs – duidt erop dat er naar twee groepen wordt verwezen: zij voor wie de besnijdenis geen betekenis heeft (gelovigen uit de heidenen) en zij voor wie dat wel een belangrijke zaak is (Joodse gelovigen in Jesjoea) doch niet de valse leringen van de Judaïsten volgen. Paulus was onvermurwbaar in zijn oppositie tegen hun aandrang op deze vereiste van besnijdenis voor heidense bekeerlingen, niettemin heeft Paulus geïnsinueerd, dat Joodse gelovigen zelf moeten ophouden met deze praktijk. Zo liet hij Timotheüs (wiens vader Griek, doch wiens moeder Jodin was) wel besnijden! (Hand. 16:3)
Paulus conclusie komt na een lang betoog, waarom het dus niet nodig is, dat gelovigen uit de heidenen besneden proselieten worden. Paulus houdt vol dat heidenen door geloof ‘zonen van Abraham’ (technische term voor proselieten) zijn geworden. Paulus gebruikt hier de term “Israël van God”, dus als iets anders dan het ‘legale Israël’ in de conventionele betekenis. Anders had Paulus zonder meer kunnen zeggen dat de heidenen een plaats hebben in Israël, punt. Als je al van een geestelijk Israël zou kunnen spreken, dan hier inderdaad, doch de uitdrukking Israël van God moet echter niet verstaan worden als een in de plaats van, doch meer als een tot zijn bestemming gekomen volk. (Zie ook stelling 2c).

De Galatenbrief is het Schriftgedeelte dat het meest door christenen wordt gebruikt als weerlegging dat gelovigen uit de volken naar hun Joodse wortels moeten terugkeren. Als zij betrokken raken bij aspecten van hun erfenis (houden van Sabbat, wetten over koosjer voedsel, dagelijkse gebeden ed.) worden zij vermaand door andere gelovigen aan de hand van de Galatenbrief.
De ironie is dus nu juist, dat deze brief werd geschreven om te betogen dat de heidenen bij Israël zijn ingelijfd en niet uitgesloten!

Medeburgers, medeleden, mede-erfgenamen

Als heidenen tot geloof komen in Jesjoea worden ze geen Jood, maar ze worden opgenomen in het burgerschap van Israël. Dat was immers Gods belofte aan Abraham, hij zou de vader van vele (inclusief niet-Joodse) volken worden. Door Jesjoea worden we medeburgers, medeleden en mede-erfgenamen van dit burgerschap van Israël (Efeze 3:6). Wij, niet-Joden verheugen ons samen met het Joodse volk (Romeinen 11:17).

De Israëlvisie van J.E. van den Brink

De Geestelijk Israëlvisie van Johannes (Jo) Emmanuël van den Brink (1909-1992)[37] is feitelijk ook een vorm van vervangingstheologie, omdat het aanneemt dat het geestelijke Israël, een nieuw Israël of het ware Israël is, met dit verschil, dat Van den Brink terecht afstand nam van de bedelingenleer en de verbondstheologie met zijn kinderdoop. Hij stelde terecht het belang van de wedergeboorte en de besnijdenis van het hart. In 1966 verschenen zijn eerste artikelen over het geestelijk Israël, waarin hij de in pinksterkringen gangbare visie verwierp, dat er een herstel zal zijn van het natuurlijke Israël. In een serie over de eindtijd verweet hij de pinksterbeweging de toekomstverwachting van de Maranatha-beweging klakkeloos te hebben overgenomen. Van den Brink keerde zich vooral tegen de opvatting dat de gemeente vóór de grote verdrukking wordt opgenomen.[38]

Tegenover een letterlijke = natuurlijke interpretatie stelt hij echter aan de hand van Jesaja 54 en Zacharia 13:7-14:7 dat vergeestelijken noodzakelijk is. Op de vraag waarom het volk der Joden nog steeds bestaat, antwoord hij: “God redt uit de volken altijd een overblijfsel… ‘uit alle volk en stammen en natiën en talen’. … Zij hebben alleen geen Bijbelse beloften dat zij er tot het einde zullen zijn. Alleen de Joden hebben de stellige toezegging dat uit hen altijd een rest behouden zal worden.”

De Joodse natie heeft bepaalde eeuwige beloften van God ontvangen, die niet algemeen van toepassing zijn voor de niet-Joden, zoals het Landsbezit, Jeruzalem en het Heiligdom. Niet-Joden kunnen wel meegenieten en meedelen in deze beloften.
Belangrijk om hier te stellen is, dat ondanks Jezus laatste woorden aan het kruis “Het is volbracht”, dit niet betekent dag Gods heilsplan af is! Het Lam van God moet nog zegevieren als Leeuw van Juda, totdat al Zijn vijanden aan Zijn voeten liggen en iedereen erkennen zal, dat Hij Heer is en zijn volk zal roepen: “Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer”.
In zijn commentaar op Romeinen 11:25,26 schreef Van den Brink: “Gans Israël’ is de ene kudde onder de ene herder. ‘Gans Israël’ zijn allen die door bekering en wedergeboorte ingegaan zijn in het nieuwe verbond. Er is maar één olijfboom waarop Jood en heiden door het geloof geënt worden. Er zijn geen twee olijfbomen. Er is voor God maar één Israël, namelijk het ware of het geestelijke.“[39] Uit deze citaten blijkt dat van den Brink geen onderscheid weet te maken tussen Israël en de volkeren en elke onderscheid tussen Jood en heiden wil opheffen. Nu geldt wel voor zowel Jood als heiden, dat Jesjoea de enige weg is tot het Zijn Koninkrijk, doch dat zij niettemin een onderscheiden rol hebben in Gods heilsgeschiedenis. Vergelijk verschil tussen Juda en Jozef (Efraïm).

In de theologie van Paulus worden Joden en gelovigen uit de heidenen consequent als twee afzonderlijke sociologische groepen gezien. Vergelijk 1 Kor. 1:22-23, Gal. 2:7, Efez. 2:17. De ene groep vertegenwoordigt geestelijk nergens de andere groep. De gemeente van Jezus Christus is weliswaar te vergelijken met een geestelijke tempel en het Israël Gods. Doch te geloven dat de gemeente Israël vervangt is een enorme dwaling, aldus ook Lemmer du Plessis.[40] Slechts één keer is de directe betekenis van de term Israël niet voor de hand liggend, nl. in Galaten 6:16. Zie boven. De maatstaf waarover Paulus spreekt, is dat allen in het kruis van Christus roemen en niet in de besnijdenis. Niettemin bidt hij ook vrede en barmhartigheid toe aan zijn volksgenoten in Israël, die deze maatstaf niet volgen.
De gemeente is het lichaam van Christus. De gemeente is ook de ecclesia van God. De gemeente is ook Gods volk. De gemeente is ook de kudde van God. De gemeente is het huisgezin van God, en heeft net als Juda deel aan het burgerrecht van Israël. Zij is in die zin waarlijk deel van Israël, doch niet exclusief.

Lees ter vergelijk dit citaat van mens-en-samenleving.infonu.nl: Doordat gelovigen uit de heidenen verbonden zijn met Christus, hebben ze deel aan het burgerschap van Israël (Efeziërs 2:12). Door het geloof in de Joodse Messias zijn de gelovigen uit de heidenen toegevoegd in de toen reeds bestaande Gemeente, Israël. Zij zijn daarmee mede-erfgenamen geworden. Gelovigen uit de heidenen worden weliswaar [nog] niet erkend als Israëlische staatsburgers, maar hebben volgens Paulus wel het burgerrecht van Israël. Zij integreren met behoud van de eigen identiteit. Kortom, de Joden behouden hun identiteit en de gelovigen uit de heidenen behouden hun identiteit. De oudste broeder (Israël) en de jongste broeder (gelovigen uit de heidenen) zijn twee groepen met allebei hun eigen roeping, en tegelijk zijn Jood en niet-Jood één in Jesjoea. Er is maar één Gemeente waarvan Jesjoea het hoofd is.[41]

Ondertussen zijn er ook orthodoxe Joden (van de stam Juda), zoals Hanoch Young van United 2 restore[42], die hun broer Jozef herkennen onder de gelovigen onder de heidenen, hen erkennen en zelfs willen beschermen tegen de Midianieten.

Met ‘t nieuwe verbond is toch het oude voor verouderd verklaard?

Hebr. 8:13 Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat oud is verklaard en wat veroudert, staat op het punt te verdwijnen.

Deze brief aan de Messias belijdende Joden van de eerste eeuw legt uit hoe deze gelovigen moesten omgaan met de tempeldienst en de offers, nadat Jesjoea het rituele gedeelte van de Thora vervuld had, terwijl de Tempel na Zijn opstanding en Hemelvaart tot het jaar 70 nog overeind stond. Daarvan had Hij echter al, in navolging van Daniël (9:27) geprofeteerd dat die verwoest zou worden en dus op het punt stond te verdwijnen. De verzoenende dieren- en bloedoffers waren Gods idee, doch eveneens dat van het volmaakte Lam, dat de zonde der wereld zou wegnemen.
Interessant is de these van John Fischer in zijn essay Covenant, fulfillment, and Judaism in Hebrews[43], dat de kwesties die in deze brief naar voren komen, zich pas goed laten verstaan tegen de achtergrond van het gedachtegoed van de Essenen, met hun verwachting van zowel een Messias ben David als een Messias ben Jozef en het herstel van de orde van Melchizedek.

Interessante overweging is ook te bedenken, dat het door de grote zonde van het offeren aan het gouden kalf – dat niets minder was dan een verbondsbreuk met de Aanwezige – was, dat er een wet bij kwam (Gal. 3:17): de offers via de erfelijke priesterorde van Aäron en zijn zonen.

Verschillende Verbonden

Een ander veel voorkomend misverstand, is dat de Tenach slechts 1 verbond zou kennen. Het verbond dat niet ver van verdwijnen is, waar hier in Hebreeën sprake van is, wordt wel het Mozaïsche verbond genoemd, dat Jahweh met Mozes en het Volk Israël sloot op de berg Sinaï. Dit is een ander verbond dan eerder gesloten met de aartsvaders Abraham, Izaäk en Jakob, waar het vooral om Gods belofte aan hen en hun erfenis (landbelofte en nazaten) gaat. Met David sloot Jahweh nog een ander verbond en wel dat er altijd een nazaat van hem op de troon van Juda zou zitten.

In de brochure Israël en de verbonden, vraagt Jan van Barneveld: “Hoe zijn wij, gelovigen-uit-de-volken, bij deze drie verbonden betrokken? Horen wij er ook bij en zo ja, op welke wijze?”[44]
Voor Israël betekent het Abrahamverbond de landbelofte en het feit, dat de Almachtige, de God van hemel en aarde, hun God, de God van Israël is. Het Mozes- of Sinaïverbond is een voorwaardelijk verbond, dat ook weer met Israël is gesloten. Wie immers stonden aan de voet van de berg Sinaï? De Thora is aan Israël gegeven. [45]Het verbond met David vinden we terug in 2 Sam. 7: 16 Uw huis en uw koningschap zullen voor uw ogen voor eeuwig vaststaan, uw troon zal voor eeuwig zeker zijn. Psalm 89 zegt het zo: 29 Ik zal Mijn goedertierenheid tegenover hem voor eeuwig houden, aan Mijn verbond met hem trouw blijven. 30 Ik zal zijn nageslacht voor eeuwig laten bestaan en zijn troon als de dagen van de hemel... 37 Zijn nageslacht zal voor eeuwig blijven, zijn troon zal vóór Mij zijn, vast als de zon.[46]

Wij gelovigen-uit-de-volken zijn erbij gekomen, en wonen als Jafet in de tenten van Sem. Wij zijn mede-erfgenamen met een zeer bijzondere en heerlijke taak: de verkondiging van het Evangelie aan de volken. Zo zijn ook wij ingeschakeld in Gods heilshandelen en hebben ons ‘aandeel’ in Zijn plan. Israël blijft Gods eerstgeboren zoon en als wij kinderen van God genoemd worden is Israël dus onze ‘oudere broer’. Biddend staan wij naast Gods volk dat nu de barensweeën ondergaat van de komende Messias en Zijn rijk.[47]

De Joden onderscheiden op basis van de Talmoed vooral ook nog het zogenaamde Noachidische verbond, dat volgens hen voor de gojiem toereikend zou zijn. Over dit onderwerp verscheen van Willem Zuidema en Jos op ’t Root een studie onder de titel En God sprak tot Noach en zijn zonen, een joodse code voor niet-joden?[48] De vraag wordt negatief beantwoord. De Noachidische voorschriften of halacha zijn voor de niet-Joden en staan los van het Jodendom. In de eerste hoofdstukken van Genesis is sprake van voorschriften voor de hele mensheid, voor Noach en zijn zonen.[49] Aan hem worden expliciet twee verboden gegeven: a) om vlees met bloed te eten; b) doodslag. Op basis van een midrasj op de tekst “van elke boom van de hof mag u vrij eten”, kent het Noachidische verbond, volgens de rabbijnen de volgende zeven geboden: 1) Het gebod van rechtshandhaving; 2) het verbod van afgoderij; 3) het verbod op de ontheiliging van Gods naam; 4) het verbod van verwarring der geslachtsverhoudingen; 5) het verbod op moord; 6) het verbod van gewelddadige beroving; 7) het verbod om vlees en bloed (voor consumptie) te onttrekken aan een (nog) levend dier, dus zonder het eerst zo pijnloos mogelijk te slachten. Van deze zeven zijn er drie verboden extra belangrijk. Volgens Bavli Joma 9b waren afgoderij, incest en moord de oorzaken voor de verwoesting van de tempel. Als het erom gaat een mensenleven (van jezelf of een ander) te redden, mogen bijna alle geboden overtreden worden. Martelaarschap is alleen vereist, als je gedwongen zou worden tot afgoderij, moord of incest. Met Abraham kwam de besnijdenis er als achtste gebod nog bij. Jakob zou nog een 9e gebod hebben gehad. Het verbond met Abraham wordt vervolgens op de Sinaï door God met Israël vernieuwd, waar het volk Israël de tien geboden ontvangt.



De twee verbonden met Abraham

Nu beschouwen christenen zich niet snel als zonen van Noach. Zegt Paulus immers niet dat wij zaad en naar de belofte erfgenamen van Abraham zijn? Volgens hoofdstuk 7 van het pseudepigrafisch geschrift Jubileeën vergaten Noachs nazaten het verbond. Toch blijft de belofte van een eeuwig verbond tussen God en alle levende wezens van alle vlees op aarde in Gen. 9:16 van kracht. Dit eeuwige verbond van God met Noach krijgt nieuw leven als het vernieuwd wordt met Abram. Dit herstel gebeurt in Genesis 15 en Jubileeën 14, als God Abram een ontelbaar groot nageslacht belooft en land. En hij geloofde de Eeuwige en hij rekende het hem toe als gerechtigheid (Gen. 15:6). Jubileeën 14:20 Op die dag sloten wij (God) een verbond met Abram, zoals we in die maand ook een verbond hadden gesloten met Noach. En Abram vernieuwde het feest en het voorschrift voor zichzelf voor eeuwig. Dat gebeurde nadat Abram en Sarai met hun 'bekeerlingen', de lieden die zij in Haran verkregen hadden, in Kanaän zijn aangekomen. Later in Genesis 17 sluit God een tweede verbond met Abram, het besnijdenisverbond. Daar krijgen zij een nieuwe namen: Abraham en Sara (resp. vader van en prinses voor de gehele wereld). Zo zal mijn verbond in uw vlees zijn tot een eeuwig verbond.

Naast deze vier verbonden is er ook nog het Messiaanse of Nieuwe verbond, waar de profeten Jeremia, Ezechiël en Jesaja al van spraken. Zo zegt David H. Stern in Messianic Judaism, dat al deze vijf verbonden nog steeds van kracht zijn. Naast 5 verbonden komen we in de Tenach ook nog 4 opeenvolgende typen van verbonden tegen: het bloed- zout- en sandaal- en huwelijksverbond.[50]
Willem J.J. Glashouwer onderscheidt in zijn boek Waarom Israël? zelfs 7 verbonden. Naast bovengenoemde vijf verbonden, spreekt hij van het verbond:

  • Van het Beloofde Land Israël of Kanaän[51] in Psalm 105:10-11 Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening, voor Israël als een eeuwig verbond, door te zeggen: Ik zal u het land Kanaän geven, het gebied dat uw erfelijk bezit is.[52]
  • Het Levitische verbond[53]in Numeri 25: 10-13 Toen sprak de HEERE tot Mozes: Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft Mijn grimmigheid over de Israëlieten afgewend, doordat hij zich in hun midden met ijver voor Mij heeft ingezet, zodat Ik de Israëlieten niet in Mijn na-ijver vernietigd heb. Zeg daarom: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede: hij, en zijn nageslacht na hem, zullen het verbond van het eeuwige priesterschap hebben, omdat hij zich voor zijn God heeft ingezet en verzoening voor de Israëlieten heeft gedaan.

H. de Jong ziet het David-en-Zion-Verbond als een hulp bij het Sinaï-verbond: David was degene die de exodus moest afmaken, als een soort tweede Mozes en David was het die rust bracht in het land en die de ark een definitieve woonplaats bood. Dit klopt met de geschiedschrijving in het begin van de boeken Samuël, waar regelmatig wordt verwezen naar de exodus en van Saul verwacht wordt, dat hij de Israëlieten rust en vrijheid zou geven in hun land.[54]

Merkwaardig is dat andere auteurs volhouden te spreken over het ene verbond, waardoor de vraag rijst over welk van bovenstaande verbonden dan gesproken wordt of dat een ander onderscheid bedoeld wordt. Zo heeft David E. Holwerda, professor Nieuwe Testament aan Calvin Theological Seminary en populair bij Palestijnse christenen rond Musalaha van Salim J. Munayer een boek geschreven met de titel Jesus & Israel, One Covenant or Two? Zo schreef Henk Vreekamp een bijdrage voor Zicht op Israël 3 over Het ene verbond.
Volgens Nadim Tarazi, een nieuwtestamenticus aan het orthodox instituut in Balamand (Libanon) is er uiteindelijk maar één verbond, dat teruggaat op de schepping en zich in toenemende mate concentreert in Adam, Noach, Abraham en via Mozes op het volk Israël. In Jezus Christus bereikt dit verbond zijn hoogste concentratie: in die Ene, Die gehoorzaam is. Tegelijkertijd gaat echter door Jezus Christus het verbond dan weer alle mensen omvatten. Daarom is er geen afzonderlijk verbond voor het oude Godsvolk, maar slechts één universeel testament, één voor allen geldend verbond.[55] Dit is slechts een typerend voorbeeld hoe bij christenen in het Midden-Oosten de vervangingsleer nog ongewijzigd voortleeft.
Als Henk Vreekamp de vraag naar de eenheid van de Schrift stelt met zijn twee testamenten en de verhouding van Israël en de kerk, spreekt hij van het geheim van de continuïteit van het blijvende verbond onder het breukvlak. Dat geheim is alleen te horen – is gegeven in de openbaring van de Naam, de ene en enige Naam: ‘Hoor, Israël! De Eeuwige is onze God, de Eeuwige is één!’ (Deut. 6:4; Marc. 12:19). En zelfs de afwijzing van Jezus de Messias, zo horen we Paulus onder tranen zeggen, betekent geen einde voor het verbond van God met Israël. Over dat verbond gaat het dus in de hele Bijbel… Zo zijn er twee testamenten. Maar er is één verbond. Vast en zeker.[56] Het moge duidelijk zijn, dat als Henk Vreekamp zo over het ene verbond spreekt, gesproken wordt over het door Jezus Christus vernieuwde verbond van Mozes bij de Sinaï. Dit ene verbond staat echter los van dat van Noach, Abraham, Levi en David. Sprak Paulus immers niet ook van een meervoud aan verbonden in Romeinen 9:4?

Maar zo vraagt Henk Vreekamp, zijn er ondanks dat ene verbond, niet toch twee volken? En hoe heeft de kerk of op welke wijze hebben de christenen dan te maken met het verbond met Israël? Als we dan met Paulus mogen stellen dat opgenomen worden in dat verbond, hoe dan mee-opgenomen of meedelen? Het kan voor sommigen nog steeds insnijdend zijn, wanneer je als kerk jezelf in het middelpunt van Gods handelen hebt geplaatst. Als we al stellen dat ‘de gemeente van Jezus Christus’ haar geboorteuur tijdens het Pinksterfeest in Jeruzalem had, dan was dat wel temidden van Israël. Pas aan het slot van Handelingen 10 horen we dat de gave van de Heilige Geest ook op de heidenen wordt uitgestort, bij de Romeinse militair en Godvrezende Cornelius en in Antiochië aangesproken worden als ‘kinderen van het geslacht van Abraham’ (13:26). Henk Vreekamp concludeert: “De gemeente van Jezus Christus wordt in het Nieuwe Testament gevormd door de gestalten van Petrus en Cornelius, d.w.z. jood en heiden. Er is een kerk uit de besnijdenis èn er is een kerk uit de volken”. Het is opmerkelijk dat Paulus, wanneer hij spreekt over de wilde olijftak, geënt op Israël, gewaagt van de vreze Gods… Hij neemt hen onder vier ogen zegt: u mag meedoen en meedelen in de vetrijke wortel van Israël, maar weet één ding: ken uw plaats! Plechtig zegt de apostel het zo: ‘Wees niet hooggevoelend, maar vrees’ (Rom. 11:20). M.a.w.: dat zij… zich toch hun levenlang zouden blijven verwonderen! Om in vrezen en beven, in diepe huivering te staan: wij zijn als heidenen getrokken binnen de lichtglans van Gods verbond met Israël.”[57]
Zie verder stelling 2, dat waar Henk Vreekamp weliswaar spreekt over één verbond, er toch twee werelden zijn: Israël en de volken. Een thema waarover hij in navolging van Friedrich W. Marquardt een essay schreef met de titel Het midden is gevaarlijk: over de christen tussen Jood en heiden.[58]

Literatuur

Barneveld, Jan van (2003). Israël en de verbonden, Chai Press.

Brink, G. van den. (2010). Jezus, Israël en de kerk - over de messiaanse oorsprong van de kerk uit de volkeren. Veenendaal: Centrum voor Bijbelonderzoek.

Brown, M. L. (1994). Bloed aan onze handen – De tragische geschiedenis van de Kerk en het Joodse volk (p. 251). Putten: Shalom Books.

Cohen, Chuck. (2008). Wortels van ons geloof. Ommen: CGI.

Doron, Reuven (2006). Een nieuwe mens. Vlissingen: Bread of Life.

Glashouwer, J.J. (2007) Waarom Israël. Heerenveen: Barnabas

Gerrish, J. (2000, 2003). Does God play favorites? God's unique relationship with Israel. Minneapolis, MN: Cornerstone Publishing.

Keller, Werner (1966) …En zij werden verstrooid onder alle volken. De geschiedenis van het joodse volk na het bijbelse tijdvak. La Rivière & Voorhoeve, Zwolle

Merrill, B. (2013), Toen het Kruis werd tot een Zwaard. De oorsprong en gevolgen van de vervangingsleer. Ebener Operatie Exodus, Amersfoort

Pawson, D. (2008). Defending Chrisitan Zionism in response to Stephen Sizer and John Stott. Bradford in Avon: Terra Nova Publications.

Finto, Don (2001). Uw volk is mijn volk. Harderwijk: Bread of Life.

Poot, Henk (2015). Zoon van de Gezegende. Heerenveen: Royal Jongbloed

Poll, E. van der. (1981). Volgend jaar in Jeruzalem. Hoornaar: Gideon.

Repko, Bart (Lente 2012). Terug van weggeweest. Van Rome naar Jeruzalem: Uitgeverij Exchange, Aalsmeer.

Schlatter, V, (2005). Familie van Abraham- Joden & christenen vormen samen het lichaam van de Messias. (B. Hoekendijk, Vert.) Putten: Shalom Books.



6a Nieuwe Verbond heft de blijvende geldigheid van de Thora niet op, doch vernieuwt haar juist.

Wij geloven niet dat het Nieuwe Verbond inhoudt dat de Thora voor de gelovigen uit de heidenen geen geldigheid of nut meer heeft. Integendeel, zij komt nu pas tot haar doel.[59] Het Nieuwe en betere Verbond is een vernieuwing van het Oude en niet een afschaffing daarvan!

Let wel dat Jeremia (31:31) profeteerde, dat JHWH het Nieuwe Verbond met het huis van Israël en het huis van Juda zou sluiten en niet met de kerk (gelovigen uit de volkeren). Het nieuwe verbond laten starten met de kerk doet te kort aan Gods beloften aan het huis van Israël en het huis van Juda. God bouwt vooral op een reeds bestaand verbond, waaraan de gelovigen uit de volkeren in Jesjoea ook deel aan mogen krijgen. Vergelijk vooral Hebr. 8:8 en 10, waar deze profetie wordt geciteerd en vervolgt: “Want dit is het verbond, waarmee Ik Mij verbinden zal aan het huis van Israël na die dagen, spreekt Jahweh.” De gelovigen uit de volkeren mogen wel daarin delen, maar niet in plaats of ten koste van Israël, dat nog steeds hetzelfde verbondsvolk is!
Als Jesjoea bij de instelling van het avondmaal spreekt over het ‘Nieuwe Verbond in Mijn bloed’, moeten wij bedenken, dat Hij hier een verband legt met de offers met het ‘bloed der besprenging’ uit het Eerste Verbond (Hebr. 12:24!). Het Nieuwe is dan, dat de toegang tot ditzelfde verbond nu anders is, nl. door Zijn bloed!

Messiaans Joden leggen vaak de nadruk op het vernieuwende aspect van het nieuwe verbond om maar te voorkomen, dat er sprake is van vervanging van het Oude Verbond. Een nieuwe auto is immers nog steeds een auto! Doch wat zo onderbelicht kan blijven, is dat er wel degelijk iets nieuws is aan dit verbond: de wet die eerst op tafelen werd geschreven en bewaard werd in de Ark als verbondskist, wordt nu geschreven op ons hart. En is het niet merkwaardig en met reden dat de Ark vanaf koning Josia (of misschien al eerder tijdens koning Manasse) niet meer aanwezig was (nadat hij het Verbondsboek had teruggevonden) en de profeet Jeremia zegt dat aan de Ark niet meer gedacht zal worden: 3:16 En het zal gebeuren in die dagen, wanneer u zich vermeerdert en vruchtbaar wordt in het land, spreekt JHWH, dan zal men niet meer zeggen: de ark van het verbond van JHWH. Zij zal niet meer in het hart opkomen. Men zal er niet meer aan denken en niet meer naar haar omzien. Zij zal niet opnieuw gemaakt worden.

De werkwijze van het verbond is wèl veranderd. Niet langer op basis van de toetreding tot het ‘Sinaïtisch verbond ‘, maar volgens de nieuwe gehoorzaamheid. Er zijn geen herhaaldelijke offers meer nodig voor de bewuste of onbewuste overtredingen van het volk (zoals tijdens de Grote Verzoendag). Jesjoea heeft een volmaakt offer gebracht, eens en voor altijd. Er is ook geen uitgebreid priesterschap meer nodig om de offerdienst gaande te houden. Jesjoea is nu de volmaakte hogepriester die het hemelse heiligdom is binnengegaan, eens voor altijd. Dat zijn de elementen van de 2e verbondssluiting bij de Sinaï (Ex. 33-34), die aldus Hebr. 8:13 zijn ‘verdwenen’.[60]

Opvallend is wat David Stern ontdekte bij zijn Jewish New Testament-vertaling van Hebr. 8: 6 Nu heeft Hij echter een zoveel voortreffelijker bediening ontvangen, zoals Hij ook van een beter verbond Middelaar is: een verbond dat in betere beloften is vastgelegd.

Ten onrechte werd bij de vertaling van ‘nemoqethai’, (een samenstelling van nomos en tithemi) in Hebr. 8: 6 gedacht aan Grieks of Romeins recht. Vergelijk vertaling Herziene SV ‘een verbond is vastgelegd’, en de NBV met ‘wettelijke grondslag heeft gekregen’ en de NBG met ‘rechtskracht berust’. Aangezien de brief gericht is aan Hebreeën oftewel Messiasbelijdende Joden, moet juist gedacht worden aan “het geven van de Thora”, net zoals ditzelfde woord in Hebr. 7:11 voorkomt en daar vertaald wordt met “de wet die het volk ontving”. Dat betekent dus, dat het nieuwe verbond gegeven is als Thora!

Als in Hebr. 8:13 Jesjoea spreekt van een nieuw verbond [Jeremia 31:30-34], heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat oud is verklaard en wat veroudert, staat op het punt te verdwijnen.
Net zoals Jesjoea’ s komst door de Hebreeën-schrijver verwacht wordt, doch nog niet is gekomen, zo ook is het oude nog niet echt verdwenen. Hij doelt op de tempel met zijn systeem van priesters en offers, die op het moment van schrijven – voor de Joodse oorlog van 66-70 - nog in functie waren!

Wat de Thora vervolgens wel en niet inhoudt en betekent, kunnen wij elke week leren tijdens bijeenkomsten van onze Messiaanse medegelovigen en van hun publicaties. Wij willen daartoe stimuleren door het volgen en organiseren van cursussen over Bijbels Hebreeuws of de Joodse wortels van het christendom.[61]

Een heel toegankelijk boekje hierover is “Vrij van de Wet?”[62], geschreven door drs. Esther Noordermeer waarin zij betwijfelt of het dogma dat wij sinds Christus niet meer onder de wet zijn, wel zo’n logische conclusie is. De lezer krijgt inzicht in de algemene oorzaken van misinterpretaties van de Schrift, maar ook in wat dogma’s bewerkstelligen in het hart van gelovigen en de gemeente. Het doel van de wet wordt helder. Wij spreken overigens liever van Thora dan van wet. Wet is respectievelijk via de Latijnse vertaling en Griekse vertaling onze Nederlandse vertaling van het Hebreeuwse woord Thora. In het Hebreeuws heeft dat woord echter een andere connotatie. Thora gaat terug op de stam jara, dat doeltreffen betekent, zoals een pijl zijn doel bereikt. Thora is derhalve middel om tot een doel te komen en wordt daarom ook wel omschreven als onderricht. Om Gods doel met ons te bereiken, is het wel zaak te doen en te horen, al wat de Aanwezige heeft gesproken (Ex. 24:7) en dus niets afdoen of toevoegen van Zijn Thora, die Eeuwig is.



Een andere nuttig boek over dit thema is “De Tora - Ontdek wat de eerste vijf boeken betekenen voor de gemeente en voor u”, van de Messiasbelijdende Joden Ariel & D'vorah Berkowitz[63], uitgegeven door First Fruits of Zion. Op Thora voor christenen van InfoNu[64] vindt u een samenvatting van het boek en in het artikel Waarom Joodse gelovigen de Thora zouden volgen wordt hoofdstuk 5 van het boek samengevat.


Willem J. Ouweneel heeft ook over dit thema een boek gepubliceerd, met de titel “Hoe lief heb ik uw wet! – De Eeuwige Torah tussen Oude en Nieuwe Verbond.”[65] Doch volgens de bedelingenleer wordt ook nu opnieuw de Thora onderverdeeld en wel in drie delen of gestaltes van de Eeuwige Thora: een Mozaïsche, Messiaanse en Millenniale. Voor een kritische beschouwing, verwijs ik graag naar een recensie[66] van een Messiasbelijdende Jood uit Alblasserdam. Hij concludeert: Deze onderscheiding is niet vanuit God beredeneerd, maar een poging van de arme mens om op basis van ogenschijnlijke onderscheidingen een nieuwe Leer te brengen in een nieuwe ‘bedeling’. Hij gebruikt deze onderverdeling om uit te leggen, dat volgens hem gelovigen uit de heidenen geen Thora hoeven te onderhouden (wat toch een voorrecht is).


Priesterschap als Bijbels verstaansmodel.

Het is de overtuiging van Edjan Westerman dat in de woorden van Ex. 19 de roeping van Israël ligt om een koninkrijk van priesters te zijn te midden van de volken. Dit zou ons een verstaansmodel kunnen verschaffen om de relaties te verstaan tussen Israël en de volken, zowel voorafgaand aan de verschijning van de Messias als ook in en na zijn komen. Deze karakterisering van het bestaan en de taak van Israël reikt ons bovendien de sleutel aan om de relatie aan tussen de thora van Israël en de thora van de volken te verstaan.[67] Zelfs vindt Westerman hier een sleutel om ook de relatie tussen de boodschap van Tenach en die van de Schriften van het Nieuwe Verbond beter te begrijpen.[68] Eerst geeft God zijn volk de Thora en zijn verbond (Ex. 20-24). Vervolgens is het allereerste de opdracht tot het maken van de Tent. Het hart van Israëls volksverstaan en van zijn legerplaats is immers de Heilige God zelf! Hij bepaalt allereerst zijn eigen plaats en Woning. Pas daarna worden Hem ook de priesters voor Israël toegewezen. Dan wordt duidelijk dat binnen de ruime cirkel van het gehele volk kleinere cirkels worden getrokken Uit het volk worden de Levieten afgezonderd. En uit levieten kiest God Aäron en zijn zonen om voor Hem priesters te zijn. Zo ontstaat er in het midden van het volk, in het midden van het kamp van Israël, een zichtbaar en levend ‘leercentrum’. Het Huis van God met zijn dienst. En daaromheen het huis van Aäron als Gods ‘levende huis van onderricht’. Dit reële kamp van Israël in de woestijn werd zo ook een model, een blauwdruk van de door God gewilde en bepaalde onderlinge betrekkingen op zijn aarde. Het midden was de Woning van God. De binnenste kring van priesters en Levieten om de Tent vormde de uiterst werkelijke afbeelding van de plaats van het priestervolk te midden van de wereld. De buitenste kring van stammen in groepen van drie gelegerd in de vier windrichtingen was zo ook het beeld van de (brug naar de) volken om het uitverkoren volk heen.

In de latere ‘inrichting’ van het land is de Tempel in Jeruzalem het allesbeheersende centrum van het beloofde land. Om de Tempel heen ligt Jeruzalem, dat weer omringd is door de stamgebieden. Ten slotte wordt het land weer omringd door de volken. Vergelijkbaar kunnen ook binnen de Thora ‘cirkels’ aangewezen worden, die parallel lopen aan de onderverdeling die God aanbrengt in het kamp. Allereerst is er de thora voor de priesters en het Heiligdom met alles wat betrekking heeft op het functioneren van de priester en hun taken. Vervolgens is er de thora voor heel Israël. Hierdoor wordt dit hele volk inclusief de priesters apart gezet in de kring van de volken. Er is in de geboden wetsvervulling eenheid en onderscheid tussen priesters en het gehele volk. Ten derde zijn er die geboden die Israël deelt met alle volken. Israël is uit de volken gekozen en toch een van de volken. Daarom deelt het ook in de aan volken gegeven thora terwijl het tegelijkertijd een ‘eigen’ thora ontvangt, die speciaal gericht is op het leven als priesterlijk volk. Ten slotte is er voor diegenen uit de volken die - als ‘vreemdelingen onder u’ – wonen in het land een kleinere categorie van geboden en verboden die te maken hebben met het delen in het leven van Israël en het rein houden van het land.[69]

6b Grootste deficiëntie van de christelijke theologie

Daarbij geloven wij dat Jesjoea niet kwam om de Thora af te schaffen, doch om die te vervullen. Wij geloven dat elke jota en tittel zijn betekenis heeft.


Een van de grootste hindernissen voor Joodse mensen van het Evangelie is een gebrek aan een correcte, heldere theologie van de Wet/Thora van zowel Messiaanse Joden als christenen. Voor de laatsten is het een grotendeels onbekend terrein, dat zijn oorzaak ook vindt, in de misvatting dat Paulus gezegd zou hebben, dat de Thora niet langer van kracht is.
Sinds Maarten Luther schreef over de verhouding van Wet en Evangelie is er de gevleugelde uitspraak: “dat wij niet meer onder de wet zijn, maar onder genade”, die daarmee wil communiceren, dat de wet (Thora) niet meer van toepassing is. Deze drogreden wordt gebaseerd op een aantal Bijbelteksten:

Romeinen 6:14 Want de zonde zal over u niet heersen. U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade. (HSV)
Vergelijk echter JNT, die vertaalt: “Want jullie zijn niet onder wetticisme, maar onder genade”

Dat Jesjoea aan de eis van de wet heeft voldaan, bevestigt dat de wet rechtvaardig is, niet dat Hij die wet heeft opgeheven. Zolang niet aan de eis van de wet was voldaan, stond iemand ‘onder de wet’, tussen zijn veroordeling en het volbrengen van de volledige straf. Het onder toezicht of ter beschikking stellen (tbs) is in Christus voorbij, omdat hij alle straf gedragen heeft tot en met de doodstraf.

Rom. 7:6 Maar nu zijn wij ontslagen van [dit aspect van] de wet, gestorven aan dat waaraan wij vastgebonden zaten, zodat wij in nieuwheid van Geest dienen, en niet in oudheid van letter.

Dit duidt erop dat we ontslagen zijn van de oude manier van dienen, volgens het rituele deel van de wet met zijn voortdurende offers. De Geest heeft niet de letter van de wet vervangen, doch door de Geest kunnen we anders omgaan met de letter.

Rom. 7:12 Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.

Rom. 8:2 Want de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de dood.

Deze wet van zonde en van dood duidt op de wetmatigheid na de zondeval van onze gevallen natuur, het denken van ons ‘vlees’ (vgl. Rom. 8:7) en niet op de Thora die op de berg Sinaï werd geopenbaard. Dit vlees gaat tegen de wet van God in, dat wel op de Thora wijst. Paulus zegt daarom ook, dat wij slaaf zijn van de zonde. Zo staat de wet van de zonde (Rom. 7:22) tegenover de wet van God. Wij worden dus niet vrijgemaakt van de Thora, maar van de wet van de zonde en van de dood.

Is de wet aan het kruis genageld?

Kol. 2:14 door het bewijsstuk uit te wissen, dat door zijn inzettingen tegen ons getuigde en ons bedreigde. En dat heeft Hij weggedaan door het aan het kruis te nagelen. (NBG)

Voor het woord bewijsstuk (cheiron) heeft de HSV handschrift, het Boek strafblad, NV document met voorschriften en WV oorkonde met al haar bepalingen.
Deze vertalingen wekken de indruk dat het om de voorschriften of bepalingen zelf gaat, die nu van de baan zouden zijn, doch het gaat zoals NBG juist vertaalt om het bewijsstuk, waardoor wijzelf een strafblad hebben. Dus niet de wet is fout, doch wijzelf. Dat wat tegen ons getuigt, onze overtredingen zijn aan het kruis genageld!

De wet is volmaakt, doch er is één ding dat de wet niet kan

Met die Thora zelf is dus niks mis mee. Zij is zelfs heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed. Rom. 7:12 Er is alleen één ding dat zij niet doen kan. Zij kan niet maken dat wij ons daaraan ook houden, ook al beloven wij nog zo plechtig dat te doen. Daarvoor is niets minder nodig dan de genadegave van Gods Geest, die Zijn willen en werken in ons binnenste, in ons hart wil bewerken.

Jesjoea zegt in Mattheüs 5:17 dat Hij niet is gekomen om de Thora op te heffen. Er zal zelfs geen titel of jota (jod of tag) uit de Thora verwijderd worden. Veelal is ten onrechte gedacht dat het ‘vervullen van de wet’ betekent dat niet die door Jesjoea vervuld is niet meer geldt. De vervulling ligt juist daarin, dat Hij de Thora volledig bekrachtigt en tot zijn doel heeft gebracht, namelijk in Hemzelf (Rom. 4:10).

Als Paulus dan vraagt: “Doen wij dan door het geloof de wet teniet?” is hij heel stellig: “Integendeel, wij bevestigen de Thora!” Rom. 3:31

Is de Thora echt eeuwig bindend?

Ondanks dat conservatieve en vooral orthodoxe Joden zeggen dat de Thora eeuwig bindend is (i.t.t. Reform of Liberale Joden), is er een traditie in het Judaïsme die zegt, dat als de Messias komt, Hij moeilijke vragen m.b.t. de Thora zal beantwoorden en een andere, dat Hij die zal wijzigen.[70] Welnu, wij geloven, dat Jesjoea inderdaad gekomen is, dat Hij sommige dingen nader heeft uitgelegd, zoals in de Bergrede en er toch wel iets veranderd is. Vergelijk de aanklacht van de valse getuigen tegen Stefanus in Hand. 6:13 “Deze man houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en tegen de wet, 14 want wij hebben hem horen zeggen dat die Jezus de Nazarener deze plaats zal afbreken en de gebruiken [=Mondelinge Thora] zal veranderen die Mozes ons overgeleverd heeft.”

De enige tekst die echt spreekt over een verandering van de wet is Hebreeën 7:12 ”Als het priesterschap verandert, vindt er immers ook noodzakelijkerwijs een verandering van de wet plaats”. De context maakt het overweldigend duidelijk, dat er geen verandering of transformatie in de Thora is, anders dan in verband met het priesterschap en het offersysteem. De term metathesis impliceert behoud van de basisstructuur van de Thora, met een herschikking (transformatie) van een aantal van zijn elementen; het impliceert niet het intrekken van ofwel de Thora als geheel of van mitswot, die niet verbonden zijn met het priesterschap en het offersysteem!
Een tweede noodzakelijke reden voor de ‘transformatie van de Thora’ is, dat het Levitische priesterschap opgezet door de Thora in de vorm die Mozes van God ontving, gebaseerd was op een regel betreffende fysieke afstamming van Levi's zoon Gershon in het geval van cohaniem (priesters) in het algemeen, en van Gershons achterkleinzoon Aäron in het geval van de cohen gadol (hogepriester). Terwijl Pinchas, Aärons kleinzoon, "het verbond van een eeuwig priesterschap" werd gegeven, heeft Jesjoea zelf een eeuwig priesterschap door Melchi-Tzedek. Dit legt de noodzaak terzijde om het systeem van het priesterschap van generatie tot generatie door te geven zoals uitdrukkelijk in v. 23-25 wordt verklaard.[71]

In Handelingen 21:20 lezen we over hoeveel joden er tot geloof waren gekomen. Maar dan staat erbij dat ze allemaal ijveraars voor de wet zijn. IJveraars betekent zeloten, mensen die zich zeer inzetten voor de wet. Hier is opmerkelijk dat in het Grieks een woord staat, dat ook in Openbaring staat, met dit verschil dat het in Openbaring wordt vertaald met tienduizenden en hier met duizenden, terwijl dit natuurlijk ook tienduizenden moet zijn. Ondertussen zegt dit wel iets over vooroordeel van de vertalers.

Als wij echter spreken over het houden van de Thora, waarvan Jezus zei dat geen tittel of jota zal vergaan, wil dat nog niet zeggen, dat alles in de Thora dezelfde eeuwigheidswaarde heeft. Zo is het verbond met Abraham, Izaäk en Jakob wel eeuwigdurend, doch het bloed-, cq. huwelijksverbond bij de Sinaï werd kort daarna verbroken, toen bij het maken van het gouden kalf, een zonde die zeer groot was. Doordat Mozes zijn leven (als prototype van de hogepriester) op het spel zette, bleef het volk gespaard, doch moest het daar jaarlijks wel aan herinnerd worden tijdens de Grote Verzoendag, middels erfelijke erfopvolging van de hogepriester, totdat de Messias als priester-koning de Orde van Melchizedek als een eeuwig priesterschap herstelt. Dat is precies de boodschap van de Hebreeënbrief en de reden dat we niet langer schuld- en zondoffers in de tempel brengen. Dat sluit echter niet uit, dat in een te herbouwen nieuwe tempel na de wederkomst van de Messias, er wel weer dankoffers gebracht zullen worden.

6c Het probleem met de mondelinge overlevering

6c Wij geloven met de Karaïten, niet in het gezag van de mondelinge overlevering, zoals is vastgelegd in het rabbinale Jodendom. Het is een gemengde zaak, waar veel geestelijk onderscheidingsvermogen voor nodig is en kennis van de historisch context.


Deze mondelinge leer, waarvan de rabbijnen beweren dat die teruggaat op Mozes, is uiteindelijk rond 200 na Christus vervat in de Misjna. Deze Misjna en het commentaar daarop, Gemara werd in de 6e eeuw de basis voor de Talmoed, waarvan twee versies bestaan, de Jeruzalemse en de Babylonische Talmoed.

Nehemia Gordon, een Karaïtische Jood groeide op in een Oost-Europees orthodox gezin, wiens vader een ultraorthodoxe rabbijn was. Als kind hoorde hij vaak discussies aan waarin rabbi A dit zei en rabbi B dat zei. Op de opmerking van hem, maar de Thora zegt toch…, kreeg hij een uitbrander. “Dat is de manier waarop Karaïten denken”. De Karaïten zijn een stroming, die in ieder geval teruggaat op de 8e eeuw. Gedurende de Middeleeuwen vormen ze ongeveer de helft van de Joodse bevolking in veel gebieden, waaronder Byzantium, Spanje en Egypte. In sommige gebieden waren Karaïten het grootste deel van de joodse bevolking, zoals in Jeruzalem (vóór de kruistochten) en de Krim. Er waren ook Karaïtische gemeenschappen in Marokko, Irak, Litouwen, Galicië, en Polen. Karaïten geloven in de goddelijke oorsprong en de autoriteit van de Tenach, doch verwerpen net als de Samaritanen de mondelinge overlevering, zoals vastgelegd in de Misjna en de Talmoed.

Nergens komen de gevolgen van de takanot en ma’asim (menselijke religieuze overleveringen) sterker tot uiting dan in de rede van Jesjoea tegen de Farizeeën. Vooral na de herontdekking van een vertaling van Shem-Tov, dat op een Hebreeuws origineel teruggaat.[72]

Naar aanleiding van een verwijt dat de discipelen een overlevering van de ouden niet nakomen, namelijk het handen wassen voor het eten van brood, zegt Jesjoea in Mattheüs 15:1-9 tegen de Schriftgeleerden en de Farizeeën, dat zij door hun overleveringen het gebod van God juist overtreden:
15:1 Toen kwamen enige Schriftgeleerden en Farizeeën uit Jeruzalem bij Jezus en zeiden: 2 Waarom overtreden Uw discipelen de overlevering van de ouden? Want zij wassen hun handen niet als zij brood gaan eten. 3 Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Waarom overtreedt ook u het gebod van God door uw overlevering? …9 tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen onderwijzen die geboden van mensen zijn.

Vergelijk echter het verschil met Mattheüs 23:1 Toen sprak Jezus tot de menigte en tot Zijn discipelen: 2 De Schriftgeleerden en de Farizeeën zijn gaan zitten op de stoel van Mozes; 3 daarom, al wat zij u zeggen dat u in acht moet nemen, neem dat in acht en doe het; maar doe niet naar hun werken, want zij zeggen het, maar doen het zelf niet. 4 Want zij binden lasten samen die zwaar zijn en moeilijk om te dragen, en zij leggen ze op de schouders van de mensen; maar zij willen die zelf met geen vinger verroeren.

Is dit niet in tegenspraak met wat Jezus eerder zei in Mattheüs 15? Hoe kan Jezus die herhaaldelijk zei: “u is gezegd dat, docht ik zeg u…”, in Mattheüs 23, nu wel zeggen, dat wij in acht moeten nemen wat Schriftgeleerden en de Farizeeën ons leren?

Naar het vermoeden van een ‘joods-christelijke’ vriend, dat de vertaling van Mattheüs 23:2-3 niet juist kan zijn, ontdekte hij, op zoek naar manuscripten, Shem-Tov’s Hebreeuwse versie van Mattheüs[73], een bijlage uit een apologie tegen de Spaanse inquisitie in de Middeleeuwen. Hij las hierover in de studie van George Howard The Gospel of Matthew according to a Primitive Hebrew Text, die aantoonde dat in tegenstelling tot wat men lang gedacht heeft, nl. dat het hier om een Hebreeuwse vertaling uit het Grieks zou gaan, dat dit niet waar kon zijn, vooral gezien het aantal Hebraïsmen en woordspelingen. In deze versie, die wel op een Hebreeuws origineel moet teruggaan, blijkt dat in al onze vertalingen van Mattheüs 23:3 een cruciale fout zit:
Jezus zei: ‘De schriftgeleerden en de farizeeën hebben plaatsgenomen op de stoel van Mozes. 3 Houd je dus aan alles wat ze jullie zeggen en handel daarnaar; maar handel niet naar hun daden, want ze doen zelf niet wat ze jullie voorhouden.

In plaats van “wat ze jullie zeggen” moet hier staan: “wat hij u zegt”. Daarmee wordt duidelijk, dat Jezus – net als de Karaïten – wel de Thora van Mozes handhaaft, zoals hij ook al in Mattheüs 5:17-19 zei, doch de mondelinge overlevering van de Schriftgeleerden en de farizeeën, hun hervormingen [takanot] en hun precedenten [ma’asim] verwerpt als leringen van mensen. (Mattheüs. 15:6)
De Shem-Tov Ibn Shaprut,[74] een 14e eeuwse Spaanse Jood, zegt niet “al wat zij u zeggen (urnth -yomru)”, doch “al wat hij u zegt (rnth -yomar)”, waarmee niet naar de Schriftgeleerden en Farizeeën wordt terugverwezen doch naar Mozes.

Door één letter verschil – een extra vav aan het eind van yomru -, krijgt deze zin een fundamenteel andere betekenis! Dit duidt erop dat de Griekse vertaler van het Hebreeuwse origineel een letter verkeerd gelezen heeft. Dit betekent dat er niet langer een tegenstelling is met Mattheüs 15, doordat Jezus de autoriteit van de Mozes handhaaft, doch de overlevering, die lering van mensen is, bekritiseert met zijn vraag: “Waarom overtreedt ook u het gebod van God door uw overlevering [takanot, traditie]?” en “tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen onderwijzen die geboden van mensen zijn", Jesaja 29:13 citerend. In het Grieks is dit een parafrase, doch in de Hebreeuwse versie een citaat!

Mattheüs 23:3 moet dus als volgt gelezen worden. “Daarom, al wat hij [Mozes] u zegt dat u in acht moet nemen, neem dat in acht en doe het;
En verder: maar doe niet naar hun hervormingen [takanot] en hun precedenten [ma’asim], want zij zeggen het, maar doen het zelf niet”.
De Hebreeuwse woorden takanot en ma’asim zijn geladen met betekenis. In het jargon van Farizeeën betekent takanot, zoiets als een wetsvoorstel, een hervorming die een Bijbelse wet wijzigt. De rabbijnen maken zelf het onderscheid tussen Bijbelse wetten en hun eigen bedachte wetten, die ze takanot noemen, in plaats van halakhoth. Ook het begrip ma’asim is jargon voor een bijzondere situatie waarin een Farizeeër geen wet kent en hij op zoek gaat naar een precedent van een van zijn leraren. Als hij zo’n bepaalde handeling verrichtte, moest dat iets zijn wat de Mondelinge Overlevering vereiste. Dit begrip is verankerd geraakt in de Talmoedische regel ma’aseh rav, ‘precedent is een leraar’.[75]
Vergelijk tenslotte ook de parallel met 2 Koningen 17:34 over de Samaritanen: Tot op deze dag toe doen zij overeenkomstig de vroegere handelswijze. Zij vrezen de HEERE niet en zij handelen niet naar hun verordeningen, naar hun bepalingen, naar de wet en naar het gebod dat de HEERE geboden heeft aan de kinderen van Jakob, die Hij de naam Israël gaf.

Jesjoea zei in feite dat zoals de Samaritanen van weleer, de Farizeeën hun eigen verordeningen en bepalingen hebben zie zij volgen, terwijl ze tegelijkertijd praten over de Thora, maar de Thora niet doen.

Op YouTube kunt u zelf het onderwijs van Nehemia Gordon hierover volgen en op Vimeo[76] een interview met hem beluisteren door Christine Darg over zijn boek The Hebrew Yeshua vs. The Greek Jesus. Inmiddels heeft hij nog drie boeiende en verrijkende studies geschreven: A prayer to our Father, His Hallowed name revealed again en Shattering the conspiracy of silence – the Hebrew power of the priestly blessing unleashed.

Ongetwijfeld is er nog veel meer te zeggen over hoe de mondelinge leer wel en niet te waarderen en over de consequenties van de positie van de Karaïten. Dat valt echter buiten het bestek van dit boek.
De klassiekers op het gebied van de mondelinge zijn Een historische inleiding op de Misjna van Maartje van Tijn (1988) en de Inleiding in de Talmoed (1980) van dr. J.L. Palache.  Elie Wiesel schreef in 1958 Mijn liefde voor de Talmoed (vanaf 2005 in NL, 2015 nieuwe druk).
Roland Gradwohl schreef eveneens een inleiding in de “mondelinge traditie” van het Jodendom: Wat is de Talmoed? (1985), met een inleiding van Willem Zuidema.
Van de hand van Leo Mock verscheen in 2004 Surfen op de Zee van de Talmoed en in 2006 Zappen door de Talmoed.
Rabbijn mr. drs. Raphael Evers schreef het boek Talmoedisch denken (2013) over de methodologie van de Talmoed en de dertien interpretatieregels van Rabbi Jisjmaeel.
In 2008 verscheen voor het eerst in de geschiedenis een Nederlandse Talmoed-vertaling in druk. Nog niet de hele Talmoed, maar het eerste begin, Traktaat Berachot (Zegenspreuken), werd gemaakt door de Leeuwarder arts Jacob de Leeuwe (1950), een afstammeling van de Praagse geleerde rabbi Jehoeda Löw. In de serie Het geschenk van Jacob wordt de Talmoed op toegankelijke en nauwgezette wijze in het Nederlands vertaald, verklaard en toegelicht. Ook de commentaren van de grote Joodse geleerde Rasji zijn vertaald en door vertaler De Leeuwe van verklaringen voorzien. Traktaat Taäniet is 7 juni 2015 feestelijk gepresenteerd. Het traktaat Talmoed Taäniet (Vasten) is onderdeel van de Babylonische Talmoed en telt vier hoofdstukken. Uiteindelijk zullen het 200 delen worden, zo’n omvangrijk werk is de Talmoed. Voor de vorderingen van zijn vertaalproject, zie http://www.talmoed-online.nl.

Voor een kritische studie over het ontstaan van het rabbijnse jodendom, verwijzen we naar het boek van Daniel Gruber Rabbi Akiva’s Messias. Toen Vespasianus keizer werd, daarbij een voorzegging van rabbi Yochanan ben Zakkai vervullend, ontving deze het keizerlijke recht om een academie of rabbinale school te vestigen in Yavneh (Jamnia). Gedurende een bepaalde periode en door een serie listige manoeuvres verkreeg rabbi Akiva zeggenschap over die academie. Hij haatte Jezus hartstochtelijk en hij bewonderde Bar Kochba. Hij had één duidelijk doel voor ogen: het rabbijnse Judaïsme moest de complete controle krijgen over ieder aspect van het Joodse leven. Dat gebeurde natuurlijk niet zo gemakkelijk. Maar Akiva bereikte zijn doel door geduld. Dit proces wordt soms aangeduid als het concilie van Jamnia. Gruber zegt: Akiva’s oppositie [tegen de christenen] leidde hem ertoe om een nieuwe rabbijnse Griekse Bijbel te promoten en een rabbijnse, informele Targum [commentaar]. Het leidde hem er ook toe om de Farizeïsche traditie te veranderen. In zijn inspanningen om alle Joodse leven onder de rabbijnse autoriteit te brengen, was Akiva consequent en meedogenloos. Soms hield Akiva zich bewust aan bepaalde leerstukken alleen maar om het geloof van de [christenen] te bestrijden, zoals hij had gedaan in zijn strijd tegen Gamaliël.... Hij zette de mondelinge leer op schrift om zijn invloed tegenover de traditionele rabbijnen te vergroten.[77]

Tenslotte: de Jood en zijn Thora

Christenen die niettemin spreken alsof de Thora niet meer van toepassing is, moeten niet denken daarmee bij religieuze Joden aansluiting te vinden. Voor hen zijn Godvrezenden juist te herkennen aan hun respect voor de Thora. Precies zoals je dit ook bij Messiasbelijdende Joden tegenkomt, die daarom o.a. de sabbat houden, de Bijbelse feesten vieren en zich aan bepaalde spijswetten houden. Een mooie samenvatting vond ik in een artikel van Wim Verdouw[78]:
Jacobus noemt hem de ‘Koninklijke Wet’ (Jac.2:8), door Gods hoorbare stem gesproken (Ex.20:17; Deut.4:12-13), door Gods vinger geschreven op stenen tafelen (Ex.24:12; Ex.31:18), door Mozes in de ark des verbonds gelegd (Ex.40:20; 1Kon.8:9; Hebr.9:4), een volmaakte Wet die de ziel verkwikt (Ps.19:7), voor immer en altoos vastgesteld (Ps.11:8), door Jesjoea niet ontbonden maar bevestigd (Matt.5:17), ingesteld tot het verkrijgen van kennis van zonde (Rom.3:20; 7:7), zichtbaar geworden in de Tempel Gods die in de hemel is (Opb. 11:19) waarvan de Heilige Geest zegt: “Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.” (Jer. 31:33)
Nu zijn er sommigen die op basis van bijvoorbeeld Num. 15:16 zeggen dat er één Thora is voor iedereen. Daar staat namelijk: Voor jullie en voor de vreemdelingen die bij jullie wonen, geldt een en hetzelfde voorschrift en een en dezelfde regel. Een tekst als deze, kan zoals eigenlijk bij alle teksten, niet los gezien worden van zijn context. Net als in Leviticus 7:7 wordt dan duidelijk dat de uitdrukking thora achat (één thora) uitsluit, dat het zou gaan om de Thora als geheel. Het gaat hier om de juiste wijze van offeren: die is voor de vreemdeling (ger) hetzelfde als voor de Israëliet. En in de context van Lev. 24:21-22 gaat het erom, dat bij de rechtspraak dezelfde juridische procedure voor zowel de vreemdeling als de ingezetene wordt gebruikt.

Tegelijkertijd nemen gelovigen[79] soms aan dat de Thora van HaShem alleen voor Joden geldt en helemaal niet voor niet-Joodse discipelen. Zoals Toby Janicki het zegt: “Niets is verder van de waarheid. Ondanks het feit dat de apostelen de niet Joden "bevrijdden" van de teken-geboden,[80] zijn ze gebonden aan het grootste deel van de overige mitswot (regels) van de Thora. Benadrukt moet worden dat de heidenen in de Messias een status in het volk van God hebben en een Thora verantwoordelijkheid die ver uitstijgt boven die van de Godvrezenden bij de synagoge van toen en van de hedendaagse Noachiden (zonen van Noach). Door middel van Jesjoea zijn gelovige heidenen geënt in het volk van God en worden lid van het burgerschap Israëls. Hoewel het lidmaatschap zijn voorrechten heeft, heeft het ook zijn verplichtingen.”[81]

Literatuur

Ariel & D'vorah Berkowitz (1996) De Tora. Ontdek wat de eerste vijf boeken betekenen voor de gemeente en voor u. Gideon.

Nehemia Gordon (2006) The Hebrew Yeshua versus the Greek Jesus, Hilkia Press.

Derek Leman (2005) Paul didn’t eat pork – reappraising Paul the Pharisee, Mt Olive Press.

Esther Noordermeer (2013) Vrij van de Wet? - Een dogma onder vuur, Merweboek

Joseph Shulam (2010) Verborgen schatten, Shalom Books, geeft een uitleg van Pardes[82], de Joodse interpretatiemethoden van de Schriften in de eerste eeuw, een acroniem voor Pesjat, Remez, (mi)Drasj en Sod.







[1] http://www.cgi-holland.nl/cgi/?p=1



[2] http://www.cgi-holland.nl/cgi/?p=1



[3] Fortress Press, 1996



[4] Eerst voorzitter van de George Whitefield stichting, nu Jules Isaac stichting



[5] 10/3-2011 http://www.israelplatform.nl/pdf/artikel1-soulen.pdf en 10/4-2011: http://www.whyisrael.org/tag/book-review/



[6] Idem, De Visie en het Verhaal, Peter Hocken, 2002, TJC-II Brochure nr.1



[7] http://www.tjcii.nl/brochures/brochure2.pdf



[8] Uitgeverij boekencentrum, 2015. Zie ook zijn website www.messiasleren.nl



[9] http://www.theophilme.nl/is-isra%C3%ABl-altijd-isra%C3%ABl, geschreven door de auteur na Israël-reis rond loofhuttenfeest 2014 met Jannie Holster en Iris Bouwman



[10] is het totaal van goddelijke en rabbijnse wetgeving dat gefundeerd is in de Thora en opgetekend in de Rabbijnse literatuur, vanaf de 4e eeuw voor de gebruikelijke jaartelling tot vandaag. Het Hebreeuwse woord halacha is afgeleid van de woordstam van lopen of gaan, halach, waarmee wordt gesuggereerd dat dit de weg is die Joden dienen te belopen of te begaan.



[11] Meer over dit ‘Israël van God’ leest u bij stelling 1



[12] Messiaanse Joden denken veel na over hun positie: zijn zij een Joodse vleugel van het christendom of zijn zij een Jezus-belijdende vleugel van het Jodendom? Drie Nieuwe Testamentische modellen komen bij hen sterk naar voren: het gelovige overblijfsel, de edele olijfboom en de nieuwe mens. Evert van de Poll – De Messiaanse Beweging, 2001, p. 178v.



[13] http://mens-en-samenleving.infonu.nl/religie/72013-bijbel-wie-zijn-de-ioudaioi-in-johannes-joden-of-judeeers.html



[14] Kopernikus und die Juden, Daniel Gruber, p.46-49. Inspire Verlag, 2010. (Engels origineel: Elijah Publishing, 2005)



[15] J. den Admirant, Israël en Juda in eenheid en verscheidenheid, deel I (2000), p.150



[16] In het Hebreeuws: Jisra‘El



[17] Vergelijk Rom. 9:6,7 want niet allen die uit Israël voortgekomen zijn, zijn Israël. 7 Ook niet omdat zij Abrahams nageslacht zijn, zijn zij allen kinderen.



[18] http://nl.wikipedia.org/wiki/Nazoree%C3%ABrs



[19] Ray. A. Pritz (1988): Nazarene Jewish Christianity: From the End of the New Testament Period until Its Disappearance in the Fourth Century, 1998, Leiden, pp. 28, 82, 108-110



[20] David Stern, Messianic Judaism - A modern movement with an ancient past, 2007, p. 20.



[21] Eddie Chumney, Restoring the Two Houses of Israel, Serenity Books, 1999



[22] Zoals in 1 Petrus 2:12; 4:3, 1 Cor. 5:1;12:2; 1 Joh. 3:7 en in Openbaring.



[23] God-Fearers, Gentiles & The God of Israel, Toby Janicki, First Fruits of Zion, 2012.



[24] Originele benaming ontleend aan Koen Janusch in Jeruzalem, augustus 2015



[25] Zie ook http://petachtikvah.org/pinksteren-geboorte-van-de-gemeente/



[26] De bijzondere scherpe formulering kwam ik tegen bij Frans van der Sar, in “Geloven in de dialoog”, red. L. Mock, E. Ottenheijm, Simon Schoon, 2010.



[27] Doorgaans gemakshalve Messiasbelijdende Joden genoemd. Kees Jan Rodenburg is preciezer, als hij zijn boek de titel Joodse volgelingen van Jesjoea noemt. Alle Joden geloven immers in de komst van de Messias, doch niet dat Jesjoea dat is.



[28] Tikkun in het Hebreeuws. Vandaar ook: http://www.tikkunministries.org van Dan Juster



[29] http://www.yeshuahaTorah.com/wordpress/jeshua-de-Torah-de-vleesgeworden-Torah



[30] In 1980 verenigd Jeruzalem door de Israëlische overheid



[31] Bart Repko, Terug van weggeweest. Van Rome naar Jeruzalem.



[32] Kennis van wat de kerkvaders gezegd hebben over de Joden, zou verplicht onderdeel moeten zijn in het basispakket van elke Bijbelschool, zo niet elke middelbare school. Dit is uitvoerig beschreven in “En zij werden verstrooid onder alle volken” van Werner Keller. Minder uitvoerig doch niet minder heftig in Bloed aan onze handen – De tragische geschiedenis van de Kerk en het Joodse volk van Michael L. Brown (Shalom Books, Putten, 1992) en beknopt in Toen het Kruis werd tot een Zwaard van Merrill Bolender.



[33] Compilatie van hoofdstuk 10: Wee de dwazen die hun eigen geest volgen, in Zoon van de Gezegende.



[34] Uitdrukking van Bart Repko.



[35] Bart Repko, Terug van weggeweest. Van Rome naar Jeruzalem, p. 32-33



[36] Matthew T. Wilson, Ruth-less Church: The Role of Christians in Israel's Redemption as Prophesied in the Book of Ruth. Yeshua's Harvest Ministries, 2013



[37] Rhemaprint uit Gorkum heeft in 2012 een tweede herziene druk uitgegeven: http://www.rhemaprint.nl/andereuitgaven.htm



[38] Cees en Paul van der Laan, Toen de kracht Gods op ons viel, Kok, 2007, p.99



[39] Het geestelijke Israël, Kracht van Omhoog, Gorkum, 1974, p. 92, 95


[40] De komst van Christus, Perspectief op Gods eeuwig plan. Aktua Pers 2006, p. 219-221. Doordat de boeren, Nederlandse immigranten in de Oostelijke Kaapprovincie in 1836 het Britse gezag ontvluchten, beschouwden zij zichzelf als het geestelijke Israël dat Egypte ontvluchtte. Deze verkeerde theologische aanname heeft de rassenspanning in Zuid-Afrika verhoogd en vormde de basis voor een theologische rechtvaardiging van het politiek standpunt van de apartheid.




[41] http://mens-en-samenleving.infonu.nl/religie/72060-jezus-belijdende-joden-ingelijfd-in-christendom-en-kerk.html



[42] http://www.united2restore.com/about.html



[43] The Enduring Paradox - Explanatory Essays in Messianic Judaism, Messianic Jewish Publisher, 2000



[44] Van Barneveld, 2003, p. 26



[45] Idem, p.37



[46] Idem, p.42



[47] Idem, p.36



[48] Ten Have, 1991



[49] http://recensies.infonu.nl/kunst-en-cultuur/74362-boekrecensie-en-god-sprak-tot-noach-en-zijn-zonen-zuidema.html (Etsel)



[50] Rediscovering the Hebrew Roots of our Faith – John Klein & Adam Spears, p. 40-47, overgenomen en verwerkt in Wake-Up, Arno Lamm & Emile Andre Vanbeckevoort p. 471vv.



[51] Gen. 13:14-17, 15:18-21; Deut. 30:1-10; Ps. 105:7-11



[52] Herhaald in 1 Kron.16:17-18



[53] Num.25:10-13; Neh. 13:29; Jer. 33:19-23; Mal. 2:1-9



[54] Van oud naar nieuw: De ontwikkelingsgang van het Oude naar het Nieuwe Testament. Recensie E. van Staalduinen-Sulman, Soteria, juni 2003, p.43



[55] Het verbond bij de christenen in het Midden-Oosten, ir J. van der Graaf in Zicht in Israël 2, p.203 (1988)



[56] Het ene verbond, Henk Vreekamp, p. 90, idem.



[57] Idem, p. 96-97



[58] Marquardt lezen (2003), p. 161-186. Zie ook bijlage “Kerk tussen Israël en de volken”.



[59] http://www.yeshuahaTorah.com/wordpress/jeshua-de-Torah-de-vleesgeworden-Torah/



[60] Evert W. van der Poll, Israël, de gemeente en het verbond, Merweboek, 1988



[61] Zoals de Aleph cursus http://www.studiehuisreshiet.nl, de Kesjer-cursus http://www.cgi-holland.nl/cgi/?page_id=385 of de cursus Wortels van ons Geloof, http://www.cgi-holland.nl/cgi/?page_id=802



[62] Merweboek, Sliedrecht, 2013



[63] Http://www.torahresourcesinternational.info/aboutus.php



[64] Http://tartuffel.infoteur.nl/specials/tora-voor-christenen.html



[65] Medema, 2001



[66] Http://www.yeshuahatorah.com/wordpress/w-ouweneel-en-de-ogenschijnlijke-gestaltes-van-de-toch-eeuwige-torah/



[67] Messiasleren, p. 72



[68] Idem, p. 89-90



[69] Idem, p. 92



[70] JNT Commentary, p. 240-243



[71] JNT Commentary, p. 681



[72] http://www.scribd.com/doc/62926694/Gospel-of-Matthew-According-to-a-Primitive-Hebrew-Text-by-George-Howard#scribd



[73] http://www.hebrewyeshua.com/hebrew_yeshua_book.html



[74] The Gospel of Matthew according to a Primitive Hebrew Text”, George Howard, Mercer University Press 2005



[75] Voor een video teaching bekijk Raiders of the Lost Book - Discoveries in the Ancient Hebrew Text of Matthew's Gospel



[76] https://vimeo.com/10890944



[77] Daniel Gruber, Rabbi Akiba's Messiah: The Origins of Rabbinic Authority, Elijah Publishing, 1999, pp 153, 109. Geciteerd in http://kiel0.home.xs4all.nl/septuagint_masoreten.htm#_edn12



[78] Http://www.immanuel-gemeente.nl/documents/ GENADE_is_geen_vrijbief_tot_Wetsverachting_A4.pdf



[79] Vgl. De Joodse wet als vervuld in tweede testament, Parakleet 88, 23e jrg. 4e kwartaal 2003 en Gelden de Joodse wetten en gebruiken ook voor christenen, beide van John L. Karsten, bijbelleraar en voorganger VPE te Zeist.



[80] Zie stelling 7.



[81] Op de website van messiaanshetlevendwater.be kunt u complete vertaling vinden van zijn boek God-fearers, waaraan Jack van de Tang van Radio Israël in de winter van 2016 hele serie heeft geweid: http://radioisrael.nl/index.php/radio/uitzending-gemist/serie/17-godvrezenden



[82] http://www.yashanet.com/studies/revstudy/pardes.htm